‘Ik kan hier niet werken. Niemand is er’

Grunberg in het Stedelijk #9

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

Fotobewerking Studio NRC

Martijn is floor manager van de entreehal, hij stuurt de kassadienst en de garderobe aan. Voor het museum om tien uur opengaat, komt er een suppoost naar hem toe en vraagt „Mogen we open?”

Deze ochtend ben ik floor manager. Martijn geeft me zijn telefoon.

Er staat, het is Hemelvaartsdag, al een man of dertig te wachten, waaronder een groep uit Engeland die is aangekondigd. Groepen moeten eigenlijk door de speciale ingang aan de Paulus Potterstraat, soms gaat het mis en neemt de groep de gewone ingang.

Het openen van het museum is een theatraal moment. Met gepaste verlegenheid en toch iets van enthousiasme lopen de eerste bezoekers op de kassa af.

Ik spreek met de gidsen, allemaal dames, een van hen beheerst de doventaal, maar ze zegt: „Dat doe ik niet meer, want sinds kort heeft het museum een echte dove als gids.”

De garderobe belt me. Een bezoeker is zijn portemonnee kwijt. Gisteren in het Zadelhoff Café kwijtgeraakt, hebben we iets gevonden?’

De suppoosten hebben niets gevonden. Martijn zegt: „We gaan in het bakje voor gevonden voorwerpen kijken.”

Daar treffen we aan: een jas, die er volgens Martijn al een hele tijd ligt, een OV-jaarkaart van mevrouw Murphy, een tasje in de vorm van een meloen, een knuffel, geen portemonnee.

„Knuffels vind ik zo erg,” zegt Martijn.

Het Stedelijk heeft een gastvrijheids-policy die wordt samengevat met de volgende woorden: „Open, Samen, Inspireren, Flexibel.”

De drukte die vanwege Hemelvaartsdag werd verwacht valt echter tegen en Martijn is bezorgd dat de uitzendkrachten naar huis moeten worden gestuurd. Uitzendkrachten niet naar huis sturen, dat is eveneens gastvrijheid.

In de middag wordt het Noor, 24 jaar, kunstenares, afkomstig uit Syrië, aangenomen voor de Rietveld, te veel. „Ik kan hier niet werken,” zegt ze. „Niemand is er.” Ze heeft een mooie, paarse zonnebril op.

De bedoeling was dat aan de andere kant van de Audizaal kunstenaars zouden werken, maar het komt voor dat er bijna niemand is.

Dat heeft ermee te maken dat er materialen zijn waarmee niet gewerkt mag worden in het museum, bijvoorbeeld gips.

De fotograaf Hans Eijkelboom komt naar me toe: „Waar zijn de kunstenaars?” „Dan heb je een museumzaal tot je beschikking. Dan moet je er iets mee doen.”

„Daar zit Noor,” zeg ik. „Zij is kunstenares.”

Onze zaal oogt inderdaad nog steriel, meer wachtruimte bij de psychiater of kinderarts dan atelier.

Leegte, ook dat is gastvrijheid.

(Wordt vervolgd)