Opinie

    • Tom-Jan Meeus

En daar is sollicitant Dijsselbloem. Zal Den Haag zijn eerdere fout herhalen?

Deze week: waarom Jeroen Dijsselbloem naar de Raad van State wil.

Ofwel: een sollicitatie die een Haagse achilleshiel blootlegt.

U weet het: in korte tijd bereikte Thierry Baudet dat ‘partijkartel’ uitgroeide tot een nationaal begrip.

Toch was hij niet de eerste die de kabinetten-Rutte kartelgedrag verweet. Dit deed in februari 2012, in een amper opgemerkt stuk, de toenmalige Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer.

Brenninkmeijer laakte de manier waarop Rutte I, de VVD/CDA-coalitie gedoogd door Wilders, de benoeming van Piet Hein Donner tot vicepresident van de Raad van State had voorgekookt.

Er was in 2011 een formele sollicitatieprocedure. Er werden formele sollicitatiegesprekken gevoerd. Alles volgens het boekje. Maar talrijke betrokkenen zeiden (en zeggen): het was allemaal schijn.

Al in de kabinetsformatie zou zijn geregeld dat Donner de dagelijkse leiding kreeg van het voornaamste adviesorgaan van de regering, tevens de hoogste bestuursrechter van het land.

In een rapportage van februari 2012 was Brenninkmeijer er zo kritisch over dat hij de betrokken coalitiefracties onderling afgestemde feitelijke gedragingen verweet.

Een begrip uit het mededingingsrecht dat een methode beschrijft waarmee bedrijven op illegale wijze concurrentie ontlopen. Alsof het „kartelafspraken” zijn, aldus Brenninkmeijer.

Lees ook: Dijsselbloem wil naar Raad van State

Zij doen alsof ze elkaars concurrent zijn, maar als in een sector (bekende voorbeelden: zuivel, verzekeringen, olie) één bedrijf of land de prijs aanpast, volgen alle anderen in onderling afgestemd gedrag.

Het gevolg was, zei hij, dat bij Donners benoeming „partij-invloed” belangrijker was dan „competenties”: omdat marktwerking werd ontlopen, bleef ongewis of de beste kandidaat was gekozen.

Een zware onderschatting van de weerzin tegen partijpolitieke invloed op benoemingen en het verlangen naar transparantie, schreef de Ombudsman.

En het fascinerende is: als Rutte III niet oppast gaat het drama uit 2011 zich zeven jaar later herhalen.

Vanuit de Raad van State hoorde ik deze week dat Jeroen Dijsselbloem (PvdA) heeft besloten in te gaan op zijn verzoek: de oud-minister van Financiën gaat solliciteren om Donner komend najaar op te volgen.

De voormalig voorzitter van de Eurogroep, was ze gebleken, maakt er serieus werk van.

Gesprekken met de premier. Gesprekken, enkele weken terug, met fractievoorzitters in de Tweede Kamer, ook die van de coalitie, zo kreeg ik in Den Haag bevestigd.

Een gemotiveerde kandidaat. Geen jurist, zoals gebruikelijk, maar door zijn reputatie als geslaagd minister van Financiën en geslaagde voorzitter van de Eurogroep een geduchte tegenstander voor elke andere sollicitant.

En daar wordt het echt interessant. Want je kunt Dijsselbloem bij het partijkartel indelen, en denken dat alle traditionele partijen altijd een kartel vormen – maar zo simpel is het echt niet.

Nazomer vorig jaar, anderhalve maand voor de vorming van Rutte III, schreef ik op deze pagina dat ze in de aanstaande coalitie Thom de Graaf, de oud-D66-leider, tipten als opvolger van Donner.

Je keek er niet van op. Donner is CDA’er, daarvoor bekleedde PvdA’er Herman Tjeenk Willink de functie. De VVD heeft een dubbelzinnige verhouding met dit Hoge College van Staat. De partij kan al jaren amper leden voor de Raad vinden. Van premier Rutte is bovendien bekend dat zijn belangstelling voor juridische verhandelingen beperkt is.

Dus het had logica dat betrokkenen bij de formatie zeiden dat D66 vermoedelijk de nieuwe vice-president mag leveren. Zo werken formaties. Officieel wordt in de laatste weken over personen gesproken; informeel hebben ze het er vanaf dag één over.

Maar nadrukkelijk hoorde je daarna in de coalitie: het klopt dat we het vicepresidentschap van de Raad van State hebben besproken, maar er is niets besloten.

Het probleem is alleen: dat zeiden ze na de formatie van 2010 ook.

Vervolgens viel het insiders op dat iemand met vergelijkbare statuur, Ernst Hirsch Ballin (CDA), vanuit zijn partij niet werd aangespoord te solliciteren.

En toen oud-bankier en voormalig VNO-voorzitter Alexander Rinnooy Kan (D66), ook op aandringen vanuit de Raad van State, wél solliciteerde, bleek op het toenmalige ministerie van Veiligheid en Justitie dat minister Opstelten het sollicitatiegesprek met Rinnooy Kan zag als formaliteit: de beslissing, zeiden ambtenaren tegen elkaar, stond blijkbaar al vast.

En het is geen toeval, bleek me, dat vanuit de Raad van State opnieuw prominenten zijn gevraagd of zij willen solliciteren. Net als in 2011 bestaat binnen de Raad nog steeds weerzin tegen de archaïsche procedure: afgezien van een vage profielschets is er geen manier om de kwaliteiten van kandidaten te objectiveren en vergelijken.

Twee weken terug stond een advertentie in de Staatscourant. De minister van Binnenlandse Zaken, Kajsa Ollongren (D66), voert sollicitatiegesprekken. De premier bespreekt de zaak met de voorzitter van de Raad: de koning. Daarna stuurt Ollongren een voordracht aan de ministerraad.

Vervolgens volgt nog kennismaking met enkele staatsraden, die alleen in theorie bezwaar kunnen aantekenen. Dat is alles.

Het betekent dat bijna alle staatsraden, mensen wier oordeel zelden wordt genegeerd, niets over de keuze van hun nieuwe vicepresident te zeggen hebben.

Dit laatste, zei een betrokkene, was binnen de Raad misschien wel de voornaamste motivatie opnieuw zelf kandidaten aan te zoeken.

Het is dus niet zozeer weerzin tegen De Graaf, die als vicepremier, burgemeester en Kamerlid ruim voldoende ervaring voor de functie opdeed: het is weerzin tegen „deze negentiende-eeuwse benoemingspraktijk”.

Er komt bij dat de Raad amper opgewassen is tegen de moderne mediacultuur, waardoor zijn traditioneel hoge aanzien in de politiek afneemt.

Dit alles voedt het verlangen naar een krachtige nieuwe vicepresident: een gepokte en gemazelde bestuurder die ook in de media zijn onafhankelijkheid tegenover kabinet en Kamer kan waarmaken.

Intussen is de vraag of Rutte III nog kan voorkomen dat de toestanden van 2011 zich herhalen: of de politiek heeft geleerd van zijn toenmalige fouten.

Brenninkmeijer vertelde me deze week dat zijn kritische rapportage van voorjaar 2012 – Rutte I zat er toen nog – vrijwel zonder respons is gebleven.

„Dit kwam het kabinet niet uit”, zei hij. „Er is niets mee gebeurd.”

Maar hoewel de procedure voor Donners opvolging met de publicatie van de advertentie in de Staatscourant in gang is gezet, hoeft dit minister Ollongren niet tegen te houden die procedure alsnog open te gooien.

Zij kan bijvoorbeeld de Tweede Kamer erbij betrekken, zodat een openheid zou ontstaan die reprise van 2011 onmogelijk maakt.

Sterker: dit heeft de Kamer destijds voorbereid.

Mede na kritische stukken in deze krant vroegen Kamerleden oktober 2011 aan Rutte of de benoeming van de vicepresident niet kon worden gemoderniseerd.

Het toenmalige Kamerlid Recourt (PvdA), een oud-rechter, legde in een motie vast dat de huidige benoemingsprocedure „niet transparant” is, en dat daarom „de Staten-Generaal een plaats moeten krijgen in de procedure voor deze benoeming”.

De motie werd aangenomen. Een van de medeondertekenaars was Alexander Pechtold. Dus in feite hoeft Ollongren alleen maar de voorbereidingen van haar partijleider te volgen.

    • Tom-Jan Meeus