Een land dat nooit gewoon kan worden

Israël zeventig jaar Sterker dan ooit voelt Israël de Amerikaanse steun in de rug. Maar van binnenuit verzwakt het land juist.

Een vrouw loopt in Jeruzalem langs een wegwijzer naar de Amerikaanse ambassade. Foto Ammar Awad / Reuters

Met de symbolische opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem op maandag, precies zeventig jaar na de oprichting van de staat Israël, toont het land dat het precies kan doen wat het wil.

Tegelijk is Israël in de zoveelste bijna-oorlog verwikkeld en zijn de Palestijnen gefrustreerder dan ooit. Zeventig jaar na de oprichting is Israël zowel sterker als zwakker dan ooit.

„De volgende 70 jaar krijgen jullie van ons”. Deze slogan op de truien die jongeren deze weken dragen straalt optimisme uit. Dat Israël bestaat, noemen veel Israëliërs nog steeds ,,een wonder”. Op 15 mei 1948, een dag nadat David Ben-Gurion de onafhankelijkheid had verkondigd, vielen de Arabische buurlanden het net opgerichte Israël binnen. De internationale verwachting was dat het jonge staatje binnen de kortste keren zou worden weggevaagd.

Dat is nu ondenkbaar. Wat begon met enkele honderdduizenden Joodse immigranten, is nu een sterke economie met 8,7 miljoen inwoners. Het cliché van de „start-up-natie” wordt gestaafd met cijfers over innovatie en technologie. Militair is Israël de onbetwiste leider in de regio. Daarbij kan het traditioneel op de steun van de Verenigde Staten rekenen.

Neutrale houding

Met de komst van president Donald Trump is die Amerikaanse steun nog explicieter geworden. Waar zijn voorgangers nog trachtten een neutrale houding te tonen in vredesbesprekingen tussen Israël en de Palestijnen, verklaarde de huidige Amerikaanse president doodleuk de kwestie-Jeruzalem „van de onderhandelingstafel” te hebben gehaald door de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem te verplaatsen en daarmee, dwars tegen de internationale consensus in, de Israëlische claim te ondersteunen, dat Jeruzalem de hoofdstad van Israël is. Europa sputterde tegen, maar is te verdeeld om een vuist te maken.

Iran bestookte de door Israël geannexeerde Golanhoogten met raketten. Het Israëlische leger viel daarop Iraanse doelen in Syrië aan. Het is de eerste tastbare escalatie sinds de VS dinsdag uit het Iran-akkoord stapten.

Vredesverdragen

Ook de Israëlische klacht, zo oud als de staat zelf, dat het „omringd is door vijanden”, lijkt nog maar deels van toepassing. Na eerdere vredesverdragen met Egypte en Jordanië flirt nu ook de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman steeds openlijker met Israël, al mogen gewone Saoediërs nog steeds niet naar Israël reizen. Nadat Israël deze week doelen van gezamenlijke vijand Iran had aangevallen in Syrië, verklaarde Bahrein zelfs dat Israël het „recht had zichzelf te verdedigen”.

Toch zien veel Israëliërs de toekomst somber in. Ten eerste is vrede met de Palestijnen verder weg dan ooit. Op de dag dat Trumps dochter Ivanka en schoonzoon Jared Kushner in Jeruzalem de ambassade openen, zijn Palestijnen in Gaza van plan het hek te bestormen waarachter ze de dorpen en steden kunnen zien liggen waaruit hun ouders in 1948 vluchtten of verdreven werden. De afgelopen weken vielen al tientallen doden bij demonstraties aan datzelfde hek. Dat ze ooit daadwerkelijk zullen kunnen terugkeren naar wat nu Israël is, geloven Palestijnen noch Israëliërs.

De kwestie vreet de Israëlische samenleving van binnenuit aan, waarschuwen mensen ter linker- en rechterzijde. Israël mag dan op het oog sterk staan, het uitblijven van een echte oplossing is voor het land uiteindelijk net zo ondermijnend als voor de Palestijnen. „Als ze zo doorgaan, staat Israël voor een grimmige keuze”, schreef voorzitter Ronald Lauder van de World Jewish Congress onlangs in het blad de New Yorker. „Of we geven de Palestijnen hun volledige rechten en houden op een joodse staat te zijn, of we pakken hun rechten af en houden op een democratie te zijn.”

Niet dat de begintijd rozengeur en maneschijn was, maar tot 1967 ging het land volgens Yehuda Shaul van mensenrechtenorganisatie Breaking the Silence „de goede kant uit”. Maar nadat Israël in 1967 na een zesdaagse strijd met de Arabische buurlanden de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook had bezet, ging het volgens Shaul bergafwaarts met de waarden van Israël. In de jaren ’90 brachten de Oslo-akkoorden even hoop, die snel vervloog met de moord op premier Yitzhak Rabin. „De bezetting sijpelt de Israëlische samenleving binnen”, zegt Shaul. „Wat tien jaar geleden nog onacceptabel was voor de meerderheid, wordt nu verkondigd door ministers.” Het is de paradox van Israël, zegt historicus Benny Morris aan de telefoon vanuit Washington. „Het wordt steeds meer een westerse democratie, maar tegelijk wordt het door de militaire bezetting juist minder liberaal.”

Hogere geboortecijfers

Die democratie wordt ook op andere manieren bedreigd. Door de hogere geboortecijfers groeit de orthodox-joodse gemeenschap het hardst, en krijgt deze ook steeds meer te zeggen. Lauder vreest dat Israël door de verspreiding van „door de staat opgelegde religiositeit een moderne, liberale natie in een half-theocratische natie verandert” en daarmee jonge joden in de diaspora van zich vervreemdt. De religieuze partijen helpen al jaren om de rechtse regering van premier Netanyahu in het zadel te houden.

Corruptieschandalen

Hoewel Netanyahu wordt geplaagd door corruptieschandalen, lijkt de bevolking geen alternatief te zien. De verschillende bevolkingsgroepen staan recht tegenover elkaar. Bewegingen als die van Shaul, maar ook het „oude links” dat een krant als Haaretz en de ooit heersende Arbeidspartij vertegenwoordigen, voelen zich steeds verder in de hoek gedrukt. Tegelijk zijn ook minderheidsgroepen als Ethiopische joden ontevreden over hun positie, en zelfs de ultra-orthodoxe joden over wie de seculiere bevolking klaagt, voelen zich achtergesteld.

Iedereen is ondertussen bezig met zijn eigen strijd om te overleven. Israël is een rijk land, maar kent ook veel armoede. Alleen met een dubbele baan of veel geluk is het leven in steden als Tel Aviv en Jeruzalem enigszins te betalen. Was het eerst een doel op zich om zoveel mogelijk joden uit de hele wereld naar de nieuwe staat te trekken, inmiddels maken steeds meer jongeren de omgekeerde beweging: ze trekken naar het buitenland omdat het leven in Israël simpelweg te duur is.

„Onze droom was ooit dat het joodse volk een natie werd, net als andere volken”, zegt Yehuda Shaul. „Het tegenovergestelde is gebeurd: we worden niet gezien als normaal, maar als anders dan alle andere naties.”

    • Jannie Schipper