Opinie

Doemdenkers en optimisten kunnen van elkaar leren

Optimisme

Pessimisten als Bas Heijne en optimisten als Ralf Bodelier zouden wat meer oog moeten hebben voor elkaars feiten, schrijft .

Illustratie Lars Zuidweg

In de documentaire-reeks Onbehagen gaat ‘pessimist’ Bas Heijne op zoek naar de barsten in het vooruitgangsgeloof. Hij merkt op dat het optimisme – opgekomen na 1989 als gevolg van de ogenschijnlijke wereldwijde zegetocht van de vrijemarkteconomie – nu onvoorstelbaar is. Heijne concludeert dat de Verlichtingsidealen zijn vastgelopen. In zijn open brief aan Heijne (NRC, 4 mei) merkt ‘optimist’ Ralf Bodelier op dat Heijne van onze tijd een veel te zwart beeld schetst. Vergelijk je 1970 met nu, dan staan we er wat betreft vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter voor, aldus Bodelier.

Sommigen vinden dat we het nog nooit zo goed hebben gehad. Representanten van dit optimisme zijn onder andere de Zweedse globaliseringsadept Johan Norberg (Vooruitgang), de Canadese psycholoog Steven Pinker (Enlightenment Now), de Vlaamse filosoof Maarten Boudry (De redelijke optimist) en de Nederlandse ‘goed nieuws-journalist’ Ralf Bodelier (World’s Best News).

Lees ook: Bas Heijne: Angst en haat zijn ook comfortabel

Zij stellen dat doemdenken misplaatst is; een radicale omslag is onnodig omdat we op de goede weg zijn. Ze rechtvaardigen hun optimisme door een groot aantal verworvenheden op te sommen: er is meer democratie en meer gelijkwaardigheid dan vroeger; minder extreme armoede; meer mensen krijgen onderwijs; welvaart en vrije tijd zijn toegenomen; er is minder zwaar werk, en over het algemeen is de lucht schoner dan vroeger. In onze tijd had Mozart door de medische technologie veel langer geleefd en nog meer schitterende muziek kunnen componeren. En oorlog is iets voor buiten Europa.

Uit zulke feiten leiden zij af dat de ‘goede oude tijd’ nooit bestaan heeft. Het motto van optimisten is dat de mens voor alle problemen een oplossing vindt.

Neoliberale Big Bang

Hun tegenpolen vinden juist dat we niet op dezelfde manier door kunnen gaan, zeker niet na de ‘neoliberale Big Bang’ van de late jaren 80. Onder de pessimisten, naast Bas Heijne: historicus Hermann von der Dunk (De wereld als getal), de Indiase schrijver Pankaj Mishra (Age of Anger), de Israëlische historicus Yuval Noah Harari (Homo Deus), Denker des Vaderlands René ten Bos (Dwalen in het antropoceen) en de Duitse historicus Philipp Blom (Wat op het spel staat).

Lees ook: Ralf Bodelier: Onze tijd is minder zwart dan jij hem schetst, Bas Heijne

Zij denken dat van de vrijheid vooral degenen profiteerden die door hun financieel-economische positie gebruik konden maken van deregulering en globalisering. Doordat kapitaal meer rendeerde dan arbeid nam de ongelijkheid toe. Aangezien in een meritocratische ‘prestatiemaatschappij’ burgers voor zichzelf verantwoordelijk worden gesteld, verminderde de geïnstitutionaliseerde broederschap. Globalisering, automatisering en robotisering destabiliseerden de arbeidsmarkt. Omdat onzekerheid, angst en haat sterke motieven zijn, zoekt een niet geringe groep ‘ontheemde’ burgers zijn heil bij autocratische, nationalistische politieke leiders. Daardoor staat het democratisch bestel onder druk. De groei van de bevolking en welvaart legt een zware claim op klimaat, grondstoffen en leefruimte.

Point of no return

Dat sommige problemen oplosbaar zijn gebleken zien pessimisten niet als bewijs dat dat nu en in de toekomst ook zo zal zijn. Ze houden er rekening mee dat we een fataal point of no return bereiken op allerlei gebieden, van het smelten van het poolijs tot het verdwijnen van de sociale zekerheid onder de macht van het kapitaal. Als automatisering de helft van de arbeidsplaatsen opheft, komen er niet zomaar evenveel nieuwe banen bij die een beroep doen op menselijk vakmanschap. Als internetreuzen de publieke opinie manipuleren en kapitaalkrachtige autocraten ons besturen, heb je de democratie niet zomaar terug.

Optimisten zeggen dat doemdenken van alle tijden is en relativeren zo het huidige onbehagen. Maar pessimisten duiden dit anders: zij denken dat elke welvaartsstijging gepaard ging met een verslechtering op andere gebieden; iets waar cultuurcritici zich in alle tijden terecht druk over hebben gemaakt. Zo heeft de verstedelijking de gezondheid aangetast. We zijn welvarender en gezonder, maar we zijn ook rusteloos, gestresst, verslaafd en depressief.

Karl Popper

Wat de optimisten met de pessimisten gemeen hebben, is dat zij beiden een kant van de zaak benadrukken, en beiden deels gelijk hebben. Met behulp van het ‘verificatieprincipe’ – een aanname staven met een waarneming – vindt elke partij altijd wel voldoende feiten die het eigen gelijk bevestigen.

Dat twee groepen denkers zo tegenover elkaar staan, betekent echter dat we meer aan het ‘falsificatieprincipe’ van Karl Popper (1902-1994) hebben: dat is juist het zoeken naar de weerlegbaarheid van een theorie, ook die van jezelf. Dan krijgt elke partij hopelijk meer oog voor de feiten van de ander.

Zo zeggen optimisten soms dat we nieuwe energiebronnen zullen ontwikkelen, zonder dat we het consumptiepatroon hoeven aan te passen. Pessimisten hameren met name op het verlagen van de consumptie en hebben minder vertrouwen in innovatieve energietechnologie. Hier lonkt een gulden middenweg.

Ander voorbeeld: optimisten geloven dat ondanks de automatisering evenveel nieuwe banen ontstaan als er verdwijnen. Pessimisten benadrukken het groot aantal banen dat verloren gaat, maar onderschatten het creatieve vermogen van mensen nieuwe banen te scheppen. Automatisering is inderdaad een reële bedreiging, maar de arbeidskracht die vrij komt kun je inzetten om de samenleving te verbeteren.

Het helpt om pessimisme en optimisme met elkaar te verbinden. Zoals de Italiaanse marxistische filosoof Antonio Gramsci (1891-1937) zei: „Ik ben pessimist dankzij mijn verstand, maar optimist omdat ik dat zo wil.” Hij schreef dat trouwens in een brief uit de gevangenis, bij uitstek een plek waar pessimisme en hoop kunnen samengaan.