De mythe van de machtige babyboomer

Revolutiejaar 1968

Babyboomers, de eerste naoorlogse generatie, zouden de afgelopen vijftig jaar allesbepalend zijn geweest in de Nederlandse samenleving. Dat blijkt nogal mee te vallen.

Babyboomer Pim Fortuyn in februari 2002. Foto Michael Kooren/Hollandse Hoogte

Er is de afgelopen halve eeuw slechts één babyboomer geweest die openlijk heeft durven zeggen dat hij minister-president van Nederland zou worden: Pim Fortuyn. In februari 2002 etaleerde Fortuyn (geboren 1948) die ambitie voor het eerst zonder omwegen. „Vergis je niet, ik word de minister-president van dit land”, zei hij op de dag dat hij uit Leefbaar Nederland werd gezet vanwege zijn controversiële uitspraken in een interview met de Volkskrant – drie maanden voordat hij op het mediapark in Hilversum werd vermoord door Volkert van der G..

Alle ambitieuze leeftijdgenoten van Fortuyn sneefden vroeger of later. Wim Deetman (CDA, 1945), Elco Brinkman (CDA, 1948), Ernst Hirsch Ballin (CDA, 1948), Jacques Wallage (PvdA, 1946), Job Cohen (PvdA, 1947), Ed Nijpels (VVD, 1950) en, helemaal aan de staart van het eerste cohort, Hans Alders (PvdA, 1952): al deze geboortegolfers hebben zeker een rol gespeeld, maar steeds als tweede en niet als eerste viool.

De babyboomers, die in 1968 net de ‘formatieve fase’ van hun leven achter de rug hadden en als jonge twintigers aan hun maatschappelijke ‘take off’ konden beginnen, hebben kennelijk minder betekend dan de mythe wil doen geloven.

Het rijtje van premiers sindsdien bevestigt dat. Na Piet de Jong (KVP, 1915), Barend Biesheuvel (ARP, 1920) en Joop den Uyl (PvdA, 1919) volgden Dries van Agt (CDA, 1931), Ruud Lubbers (CDA, 1939), Wim Kok (PvdA, 1938), Jan Peter Balkenende (CDA, 1956) en Mark Rutte (VVD, 1967). Precies één generatie wordt in het Torentje vijftig jaar overgeslagen: de geboortegolf. In het centrum van de politieke macht moet die generatie zich, ook bij een ruim genomen definitie, tevreden stellen met drie vicepremiers: Eduard Bomhoff (LPF, 1944), Annemarie Jorritsma (VVD, 1950) en Gerrit Zalm (VVD, 1952).

Het hele rijtje overziend is Piet Hein Donner (CDA, 1948), wetenschappelijk raadsadviseur, minister, kabinetsformateur en scheidend vicepresident van de Raad van State, afgelopen halve eeuw de machtigste babyboomer geweest.

Natuurlijk is dit geen sluitend bewijs voor de hypothese dat de geboortegolf helemaal geen rol in Nederland heeft gespeeld.

In de academische wereld bijvoorbeeld is de babyboom wel degelijk dominant geweest. De niet zo plooibare politicoloog en PvdA’er Hans Daudt, die weigerde alleen te doceren wat studenten wilden horen, werd in 1969 uitgerangeerd door mannen die in 1946 waren geboren.

Ook in het onderwijs, de cultuur, de pers en de sport heeft de eerste naoorlogse generatie na 1968 wel degelijk de toon gezet. Hoewel die machtspositie in de media, een halve eeuw later juist dé steen des aanstoots voor de populistische provo’s van nu, ook niet moet worden overdreven. NRC Handelsblad en de Volkskrant zijn inderdaad ooit geleid door late babyboomers: Ben Knapen (1951) en Pieter Broertjes (1952). Maar het NOS Journaal, het belangrijkste journalistieke medium van Nederland, heeft nooit een hoofdredacteur gehad uit het eerste cohort na de oorlog.

Alleen in de sport is de macht van de geboortegolf over de hele linie onloochenbaar: zie Johan Cruijff (1947), representant van het ‘totaalvoetbal’.

Lees ook: Nederland veranderde in de jaren zestig ingrijpend, zelfs ingrijpender dan Frankrijk. Maar de vraag is wie daarvoor verantwoordelijk was

Neo-marxisme

Door wie is het Nederland van ’68 dan wel gedomineerd? Door politici die in het decennium vóór de Tweede Wereldoorlog ter wereld zijn gekomen: door de kinderen die hun coming of age beleefden tijdens de Duitse bezetting, die toen te oud waren voor onwetendheid, maar nog te jong om zelf actie te ondernemen. Kortom, door de generatie die de Gnade der späten Geburt heeft genoten, zoals de Duitse bondskanselier Helmut Kohl (1930) ooit zei.

In de Verenigde Staten, waar de luidruchtige babyboom maar liefst drie presidenten zou leveren – te weten Bill Clinton (1946), George W. Bush (1946) en Donald Trump (1946) – worden deze vooroorlogse jongeren de ‘stille generatie’ genoemd. In Duitsland werd die door de Duitse socioloog Helmut Schelsky (1912-1984) tot een ‘sceptische generatie’ gemunt.

De grootste gemene deler van de lotgenoten binnen deze generatie was een soort voorwaardelijk enthousiasme. Enthousiast deden ze in de jaren zestig mee aan de hervormingen, maar wel geconditioneerd door hun ervaringen met de autoritaire en zelfs totalitaire repercussies van de linkse én rechtse wereldverbeteraars uit hun vroegste jeugd.

Anders dan de oorlogservaring-loze geboortegolf, die zich rond 1968 ging vermeien in neomarxisme en alomvattende ideologieën, was de stille generatie juist aangeraakt door het existentialisme, door het verlangen naar individualiteit. Ze was gericht op zelfontplooiing, niet op collectieve emancipatie. Niet Vladimir Lenin maar Albert Camus was haar held.

In zijn eerste en enige memoires Het kind en ik legde D66-oprichter Hans van Mierlo, dé man die ’68 zijn burgerlijke en redelijke gezicht gaf, het zo uit: „De onzekerheid over wie je eigenlijk bent, loopt met me mee de oorlog uit en de vrede in. Ik heb sterk het gevoel dat deze ervaring bij veel leeftijdgenoten die hun puberteit in de oorlog hebben gehad, grosso modo heeft doorgewerkt in een blijvende gesteldheid van betrokken observatie. Naar de dingen kijken met betrokken afstandelijkheid en een mild oordeel. Deze generatie heeft ook een bemiddelende rol gespeeld in de provotijd en de jaren die daarop volgden.”

Lees ook: Economische vooroordelen tegen babyboomers zijn er genoeg. Maar ze kloppen lang niet allemaal

Bedrijfsleven

Die intermediaire functie tussen de ouderen en de jongeren in de jaren zestig gold niet alleen de politiek. Ook in het bedrijfsleven was het de vooroorlogse generatie die de ommekeer nadien vorm gaf. Natuurlijk hebben babyboomers leiding gegeven aan grote Nederlandse ondernemingen. Denk aan Jeroen van der Veer (Shell, 1947), Cees van der Hoeven (Ahold, 1947) en Rijkman Groenink (ABN-Amro, 1949). Maar hoe duurzaam is hun rol geweest? Zeker vergeleken bij die van vooroorlogse kinderen als Frans Swartouw (1932) van ECT/Fokker, Jan Timmer (1933) en Cor Boonstra (1938) bij Philips, Frits Goldschmeding (1933) van Randstad of Wim Duisenberg (1935) van de Nederlandsche Bank?

Van Mierlo heeft de betekenis daarvan op het eind van zijn leven goed gezien. De geboortegolf trok rond 1968 wél denderend door de instituties, eerst door het hoger onderwijs en vervolgens door talrijke andere maatschappelijke instellingen. En die instituties gingen nadien ook een steeds grotere rol spelen – in (sociale) wetenschappen, media en sport – hetgeen bevestigde dat die mars succesvol was. Maar onder die ‘ludieke’ uiterlijkheden lag een fundament dat niet door de babyboom was ontworpen. Die basis voor het moderne Nederland, het land waarin Cruijff c.s. gedijden, is gelegd door de laatste vooroorlogse generatie die daarbij effectief gebruikmaakte van de babyboom. Terwijl de laatste vooroorlogse generatie langzamerhand de commandoposten in de maatschappij ging bemannen, fungeerde de geboortegolf als een massieve falanx die zoveel gewicht in de schaal legde en angst inboezemde dat de echte oude garde zich wel stap voor stap gewonnen moest geven.

Het nu al decennia gekoesterde verhaal, dat ’68 een coup was van het eerste naoorlogse cohort, klinkt mooi. Maar het is een mythe. De babyboom hakte niet de knopen door. Dat deed de generatie die wist wat oorlog was, niet in theorie maar in de praktijk.

    • Hubert Smeets