Recensie

Je zwarte dochters zijn witter dan ik dacht

Zuid-Afrika Een nazi-vader, lesbisch zijn en twee zwarte kinderen adopteren: voor een roman zou het wat veel van het goede zijn, maar voor de memoir van de Zuid-Afrikaanse Marianne Thamm is dit ideaal.

Marianne Thamm en haar broer (links) kort na de emigratie naar Zuid-Afrika. Foto uit besproken boek

Wanneer de familie Thamm in 1963 naar Zuid-Afrika emigreert, doet de vader een verwoede poging om zijn gezin aan de nieuwe cultuur te laten wennen. Hij neemt ze een dagje mee naar het Voortrekkersmonument – een log, bakstenen gebouw dat qua architectuur in het Derde Rijk zou passen – ter nagedachtenis aan de Afrikaner boeren die halverwege de 19de eeuw Zuid-Afrika introkken om zich daar te vestigen. De vader maakt een foto van zijn vrouw en twee kinderen staand voor een bronzen beeld waar een moeder haar kinderen beschermt. ‘We zagen er niet uit alsof we succesvol zouden integreren’, schrijft Marianne Thamm in haar memoir De ondraaglijke blankheid van het bestaan.

Thamm – schrijver, journalist en stand-up-comédienne – is de dochter van een Duitse vader en een Portugese moeder. Ze is twee wanneer ze in de parlementsstad Pretoria terechtkomt. Waarom koos mijn vader niet Nieuw-Zeeland, Canada of Australië, vraagt ze zich af. Het antwoord is treurig maar simpel: haar vader was Luftwaffe-piloot geweest en had ook na de oorlog zijn bewondering voor Hitler behouden, al erkende hij wel dat die een ‘paar domme dingen’ had gedaan. Thamms vader zal niet alleen zelf een voorkeur hebben gehad voor de witte Afrikaners, maar de kans dat hij in geen van de andere landen welkom was geweest is groot.

In wat voor wereld kom je terecht als je vader een nazi-krijgsgevangene is geweest en je moeder in een communistisch gezin is opgegroeid ten tijde van Portugese dictator Salazar? De moeder leerde haar te zwijgen over wat ze zag (naar Zuid-Afrika gaan was niet haar keuze), en de vader eet met de buren kwarktaart, onder het genot van Duitse marsmuziek. Je zou een aardige tik van de molen kunnen meekrijgen, maar Marianne Thamm nam afstand, ging zich afzetten en maakte daar haar vak van.

De ander

Thamm vecht, spijbelt, rookt wiet, is lesbisch, gaat de journalistiek in en adopteert twee zwarte dochters. Het geheel leidt ertoe dat je tot de wereld van de ‘ander’ gaat horen. Ook in het land van Mandela wordt ze nog steeds geconfronteerd met de witheid van het bestaan, bijvoorbeeld wanneer haar dochters vaker worden gecontroleerd door de politie dan de witte Afrikaner kinderen.

De ondraaglijke blankheid van het bestaan – met een enthousiast voorwoord van Thamms vriend Tom Lanoye – is erg particulier, wanneer het bijvoorbeeld gaat om de krompraterij van de dochters als peuter, de koemelkallergie van de oudste dochter, et cetera, maar is ook een mooie vorm van geschiedschrijving over Zuid-Afrika vanuit een persoonlijk perspectief, zoals Daily Show- gastheer Trevor Noah dat deed in Kleurenblind.

Alle ingrediënten zijn er bij Thamm: een nazi-vader, een lesbische relatie, een journalistenbestaan voor het andere perspectief en dan ook nog twee kinderen die omdat ze zwart zijn volgens de buitenwereld dus wel ‘HIV/Aids’ zullen hebben.

Er is ruimte voor inzicht en redding, zo wil Thamm met dit boek laten zien, en wel door de confrontatie aan te gaan met je foute vader en je witte omgeving. Het maakt het slot van het boek wel wat zoetig: vader en schrijfster vinden elkaar, de zwarte kleinkinderen worden aanbeden door de nazi-opa – zij het dat hij nog wel ergens opmerkt dat ze veel ‘blanker’ zijn dan hij had vermoed.

Een mooi detail is het moment dat een van de kleindochters – wanneer hun opa op sterven ligt – vraagt of ze zijn tanden mag hebben. Dat mag weliswaar niet, maar de vraag heeft een symbolische lading: het gebit is een onvervreemdbaar deel van iemands identiteit, en de kleindochter wil zich de identiteit van haar voorouders blijkbaar liever toe-eigenen dan begraven. Het vat de kern van een immigrantenboek voortreffelijk samen.

    • Toef Jaeger