Recensie

In extase door een gezinsgeschiedenis

Thomas Wolfe Het autobiografisch geladen magnum opus van Wolfe werd in zijn tijd als te moeilijk beschouwd. Maar lezing van de grootse eerste Nederlandse vertaling blijkt een grandioze ervaring.

Thomas Wolfe met zijn moeder, Julia Wolfe, bij haar huis, 1937. Foto Thomas Wolfe Memorial

Kijk, zo hoort het. Prachtig gebonden met stofomslag, vlekkeloos geredigeerd, briljant vertaald, uitputtend van noten voorzien en verhelderend uitgeleid. Als je dan toch als uitgeverij besluit een boek na negentig jaar alsnog te vertalen, zo moet men bij uitgeverij Van Oorschot hebben gedacht, doe het dan zo. En dus komt Thomas Wolfe’s Look Homeward, Angel nu uit in een vorm die het boek waard is, want – en dat is het belangrijkste – Daal neder, engel is een bij vlagen briljante roman, geschreven in een gedurfde, bloemrijke taal, die de geduldige lezer even zo vaak in vervoering zal brengen.

Thomas Wolfe (1900-1938) schreef het boek in de jaren twintig, als een uiterst autobiografisch geladen roman over de jeugdjaren van Eugene Gant, het gevoelige en talentvolle nakomertje van Eliza en Oliver Gant. Hij beschrijft de genese van het gezin, de kinderjaren van Eugene, zijn toegang tot de universiteit (als enige van de Gant-kinderen, reden genoeg voor zijn broers en zussen om hem te benijden en bespotten); en vervolgens zijn uitvliegen in de wereld. Zijn eerste, gefnuikte verliefdheid, zijn kennismaking met de vleselijke liefde en de drank (‘waarom, als het dus mogelijk was een god in een fles te kopen … waren niet alle mensen permanent dronken?’).

Het wordt in grootse, lyrische termen verwoord, vooral waar het Eugene’s dromen, passies en literaire aspiraties betreft. Maar het boek is daarnaast ook een soms genadeloze beschrijving van het gezin waarin Wolfe opgroeide, en een evocatie van de stad Asheville, North Carolina waar hij die jongensjaren doorbracht. Dat hij zijn geboortestad de naam Altamont meegaf hielp weinig bij het verdichten van zijn omgeving: het boek werd daar bij verschijning als scandaleus ontvangen, te veel inwoners herkenden zich in de personages. Dat zal vooral gegolden hebben voor de bewoners van het pension dat moeder Gant/Wolfe dreef, die niet op een compassievol signalement konden rekenen. Dat Wolfe zelf al aanvoelde dat er rumoer zou ontstaan valt af te lezen aan zijn voorwoord, waarin hij zich bij voorbaat verdedigt met de woorden dat het boek ‘met distantie geschreven is en vrij is van haatdragendheid of bittere opzet’.

Dozijnen verwijzingen

Dat Wolfe’s magnum opus (het was zijn debuut, hij schreef nog veel erna dat nooit meer die status verwierf) nooit eerder een Nederlandse vertaling waard werd geacht is niet zo heel verwonderlijk. Wolfe’s reputatie raakte danig ondergeschikt aan die van tijdgenoten als Scott Fitzgerald en Hemingway, en dat was niet louter te wijten aan de veronderstelde moeilijkheidsgraad van het boek. Twee (willekeurige) voorbeelden: in de Norton Anthology of American Literature wordt hij niet genoemd, terwijl aan beide voornoemde schrijvers tientallen pagina’s gewijd zijn. En een voorbeeld uit eigen taalgebied: Bertens en D’haen wijden in hun Geschiedenis van de Amerikaanse literatuur één pagina aan Wolfe, waarin ze zijn romans ‘oeverloos uitdijend’ noemen en zijn ‘gezwollen verbositeit’ hekelen. Voor dat laatste verwijt valt wel iets te zeggen. Ik las een jaar of vijftig geleden dit boek voor het eerst en bij herlezing in het Nederlands viel me op hoe weinig ik ervan had onthouden. Ik zal het als in een roes gelezen hebben, te gretig en snel om regelmatig het onontbeerlijke woordenboek erbij te consulteren. De waarde van, bijvoorbeeld, het schitterende hoofdstuk 24, eigenlijk een beschrijving van een ochtendwandeling door Asheville/Altamont, zal me indertijd grotendeels ontgaan zijn, onbekend als ik was met de letterlijk dozijnen verwijzingen naar Engelstalige poëzie die hier door de vertaler gewetensvol worden onthuld.

De hele familie wordt met veel kleur en aandacht voor hun hebbelijkheden neergezet, heel trefzeker in hun eigen taalgebruik. Het is bepaald geen harmonieus gezin, de broers Ben, Luke en Steve rollen meer malen vechtend over de vloer; Ben en zus Helen gaan vaak tierend tekeer tegen de nerveus tuttelende maar o zo zakelijke moeder Eliza. Ze verwijten haar in ruwe termen meer aandacht voor haar pension en haar succesvolle onroerend goed-speculatie te hebben dan voor haar gezin. Maar het mooiste portret is dat van vader Gant, wiens tierende zelfbeklag nog lang nadondert in het boek wanneer hij al zwak en hulpbehoevend is geworden. Maar zeker zo fraai is de beschrijving van de siddering die door het land trekt wanneer Amerika zich in de Eerste Wereldoorlog mengt. En ja, dat Wolfe een kind van het Amerikaanse Zuiden was, nog niet eens zo heel lang na de verloren Burgeroorlog, valt af te lezen aan de bijna achteloos racistische typeringen van de zwarte bewoners, die zelden anders dan lui of sloom worden neergezet.

Mythevorming

Rond de totstandkoming van het boek heeft zich na de verschijning in 1929 een heuse mythevorming ontwikkeld, die zelfs tot een speelfilm heeft geleid (Genius, 2016). Naar verluidt werd het 294.000 woorden tellende manuscript met karrevrachten het kantoor binnengebracht van zijn redacteur Maxwell Perkins, die het terugbracht tot 223.000 woorden en er, in de woorden van Commandeur, ‘met een bovenmenselijk knippen, plakken, verschuiven en herschrijven een meesterwerk uit wrochtte’. Die ingrepen waren vermoedelijk mede verantwoordelijk voor de kritiek dat het boek moeilijk als een geheel te lezen was, meer ‘assemblage’ was dan een organisch geheel. Misschien komt het doordat de hedendaagse lezer, beter bekend geraakt met werk als van Joyce en Proust, veel sneller geneigd is niet-conventionele opbouw en associatieve taal te willen volgen.

Men kan erover van mening verschillen, maar Daal neder, engel is wat mij betreft zo’n grandioze leeservaring juist vanwege die gewaagde schakeling tussen verschillende registers. De extatische beschrijvingen, in lange zinnen, van natuur, elementen en gewaarwordingen (met als een hoogtepunt de lange passage waarin de jonge Eugene het zintuig ‘reuk’ begint te ontdekken) worden afgewisseld met snijdende dialogen, kortademig gemor in vader Gants binnenwereld en een verrassende wending naar het surreële in het slothoofdstuk.

Uitgeverij Van Oorschot, die al eerder minder bekende Amerikaanse klassieken uitbracht, onder meer James Agee’s Een sterfgeval in de familie en Winesburg, Ohio van Sherwood Anderson, verdient dan ook de allerhoogste lof en Sjaak Commandeur heeft, niet alleen als vertaler maar ook als ‘toelichter’ een prestatie geleverd waarvoor alleen superlatieven te bedenken zijn.

    • Jan Donkers