Recensie

Iedere ultrarijke zijn eigen Picasso

Internationale kunstmarkt Honderdvijftig ultrarijken beleggen in kunst, om de werken later met winst weer van de hand te doen. Veilinghuizen staan hen met raad en daad bij. Hoe lang nog tot die zeepbel barst?

Sotheby’s veilt op 14 mei as. in New York een naakt uit 1917 van Modigliani. Nooit kreeg een doek zo’n hoge richtprijs van het veilinghuis: minstens 150 miljoen dollar. De huidige eigenaar kocht het in 2003 op een veiling voor 26,9 miljoen dollar. Foto AFP

De vraagprijs was 17,5 miljoen dollar. Op de kunstbeurs Art Basel Miami stond een echtpaar uit New York te dralen bij een portret van popart-kunstenaar Andy Warhol. Tot de vrouw na tien minuten zei: ‘Het heeft prachtige kleuren en het is bijna Kerstmis. Kom op, we kopen het.’

Met deze achteloze aankoop, waarvan hij toevallig getuige was, begint de Canadese econoom Don Thompson The Orange Balloon-Dog. Het is Thompsons derde boek in tien jaar over de markt in hedendaagse kunst. Vrijwel tegelijk verscheen Dark Side of the Boom van de Britse journalist Georgina Adam, haar tweede boek over de kunstmarkt in vier jaar tijd.

Boeken over de kunstmarkt verouderen snel. Niet zo gek: zo’n honderdvijftig ultrarijken nemen een substantieel deel van de wereldwijde omzet in kunst – ongeveer 60 miljard dollar – voor hun rekening. Als die kleine groep even afhaakt, bijvoorbeeld omdat de Chinese economie stagneert, kan de kunstmarkt in een dip belanden. Zoals tussen 2014 en 2016, toen de veilingomzet opeens met ruim dertig procent inzakte.

Hoe snel zekerheden op de kunstmarkt aan diggelen kunnen gaan, bleek in november 2017 nog, toen Salvator Mundi, een omstreden Leonardo da Vinci, voor 450 miljoen dollar werd geveild. De boeken van Adam en Thompson waren op dat moment net naar de drukker. Bij verschijning zijn ze in zekere zin dus al verouderd. Beide auteurs voorspelden na hun boekpresentatie dat het recordbedrag voor de Leonardo gevolgen heeft voor de kunstmarkt.

Adam en Thompson richten zich in hun boeken op het koopgedrag van de allerrijksten. Het aantal miljardairs stijgt razendsnel, ook in opkomende economieën, en het lage rendement op traditionele investeringen heeft de belangstelling voor kunst gestimuleerd. Die ultrarijken willen allemaal hun eigen Picasso, Koons en Warhol. Niet om aan de muur te hangen. Volgens Adams is tachtig procent van alle waardevolle kunst opgeslagen, vooral in belastingvrijhavens, freeports. Zodra de eigenaren winstkansen ruiken, doen ze hun kunst van de hand. In vakjargon: het zijn COIN’s, Collectors Only In Name, of ‘specullectors’.

Geldzucht

Met fijn oog voor detail schetsen beide auteurs een wereld geregeerd door gelddorst. Een wereld die volgens Thompson in het teken staat van ‘the art of more’. Omdat de financiële verlokkingen steeds groter worden en de kunstmarkt nog altijd weinig last van regelgeving heeft, rijgen de schandalen zich de laatste jaren aaneen. Belangenverstrengeling, handel met voorkennis, prijsmanipulatie, belastingontduiking, witwaspraktijken, oplichting met vervalsingen – het zijn de ‘donkere kanten van de kunstmarktexplosie’.

Samen met een handvol internationaal opererende über-galeries zetten Sotheby’s en Christie’s de toon op de kunstmarkt. Thompson geeft vermakelijke voorbeelden van het moderne relatiebeheer van de veilinghuizen. Met gratis first-class- tickets en andere kostbare privileges worden (potentiële) klanten in de watten gelegd. Ze organiseren verjaardagsfeestjes voor de kinderen van steenrijke verzamelaars, in de hoop dat daar ouders van vriendjes op afkomen, die als nieuwe klanten kunnen worden binnengehaald.

Ook de financiële dienstverlening van de veilinghuizen gaat steeds verder. Met gegarandeerde opbrengsten worden inbrengers verleid om kunst te laten veilen. Zo kregen de erven van verzamelaar Alfred Taubman van Sotheby’s ruim een half miljard dollar toegezegd, wat het veilinghuis door tegenvallende verkopen op een miljoenenverlies kwam te staan. Sinds kort fungeert het veilinghuis ook als pandjeshuis. Met kunst als onderpand is het mogelijk grote geldsommen te lenen. Sotheby’s verhoogde recent zijn leencapaciteit tot 1,3 miljard dollar.

Verbijstering

In tegenstelling tot Georgina Adam, die een adequaat maar tamelijk rechttoe-rechtaan beeld schetst van de kunstmarkt, probeert Don Thompson ontwikkelingen ook te duiden. Met leerstellingen uit de gedragseconomie, die rekening houdt met psychologische invloeden, komt hij vaak een eind. Maar sommige ontwikkelingen blijven Thompson verbijsteren. De kunstwereld ontbeert volgens hem rationaliteit, zeker als het om de waarde van topstukken gaat. Daardoor is er zo veel ruimte voor speculatie.

Thompson trekt een sombere conclusie. De prijzen voor het werk van de 25 kunstenaars die samen goed zijn voor bijna de helft van de wereldwijde veilingomzet in naoorlogse kunst, zijn in korte tijd krankjorum gestegen. Neem The Orange Balloon Dog (2000), de Jeff Koons-sculptuur waarnaar Thompson zijn boek heeft vernoemd. Dit roestvrij stalen beeld is in een oplage van vijf exemplaren gefabriceerd. De New Yorkse verzamelaar Jose Mugrabi betaalde er bij Christie’s vier jaar geleden 58,4 miljoen dollar voor, nog altijd het wereldrecord voor een werk van een levende kunstenaar. Het staat sinds de veiling in een opslag te wachten tot de tijd rijp is om het met winst te verkopen.

Zo staat in freeports op luchthavens in onder meer Zwitserland en Singapore voor honderden miljarden aan kunst opgeslagen. Dat kan niet eeuwig zo doorgaan, doceert Thompson. ‘Sommige kunstmarktbubbels lopen langzaam leeg, andere barsten. Wat de snelheid ook moge zijn, de kans dat het nu snel gebeurt is groter dan dat het nog lang zal duren.’