Recensie

Het beste is om in de waan te blijven

Bertram Koeleman Kijk, modieuze schrijvers: voor waarachtige fictie hoef je niet over iets waargebeurds te schrijven. Koelemans toont en vertelt dat in zijn tweede roman.

Dat heeft Bertram Koeleman toch snel en soeverein gedaan: een bescheiden oeuvre opbouwen dat eigenzinnig, prikkelend en onderscheidend is. Koeleman (1979) is een verzinner, een schrijver van wat soms ‘pure fictie’ genoemd wordt. Van onvoorspelbare, sinistere verhalen, waarin het fantastische en surreële aan de oppervlakte liggen – verhalen die ook over zichzelf gaan, over de werking van verhalen. En zónder dat het met die ingrediënten een puur theoretische, afstandelijke, cerebrale aangelegenheid wordt. Vooral zijn verhalenbundel Engels voor leugens (2016) slaagde erin je te beroeren, onder je huid te kruipen. De angst van de personages sloeg waarlijk op je over.

Lees ook: de recensie van ‘Engels voor leugens’ (2016).

En het is totaal anders dan bijna al het andere dat momenteel verschijnt en zo de heersende mode bepaalt, in de Nederlandse literatuur. Dit werk heeft eerder trekjes van het type proza dat Haruki Murakami en Paul Auster schrijven, of van de cinema van David Lynch. Want Koeleman schrijft nu eens géén proza dat het moet hebben van de autobiografische authenticiteit en bijbehorende heftigheid. Géén verhalen over sexy onderwerpen van deze tijd. Géén modegrillen.

Al geeft hij op al die heersende modes juist wel een eigen reactie, in zijn derde boek Het wikkelhart – na de debuutroman De huisvriend (2013) en die verhalenbundel. De hoofdpersoon is namelijk een Nederlandse schrijver die zich van al dat soort literatuuropvattingen wél wat aantrekt. ‘Hoe zou je het voorbijsnellende landschap beschrijven?’ begint de roman, waarmee deze Dominic Ulster zich meteen in literaire zin laat kennen: de weergave van ware ervaringen, daar gaat het naar zijn idee om in literatuur. Al ziet hij ook de moeilijkheid, misschien wel onmogelijkheid daarvan: ‘Woorden en zintuigen werkten op totaal andere niveaus.’ En dan laat zijn verbeelding zich ook nog eens niet temmen: hij dwaalt telkens af van de werkelijkheid, ‘waardoor het weergeven van het echte steeds verder buiten mijn bereik leek te raken’.

Bertram Koeleman schrijft géén proza dat het moet hebben van autobiografische authenticiteit, al is zijn roman er wel een reactie op

Hij worstelt dus, al decennia, met het verwoorden van één gebeurtenis uit zijn verleden, die zoveel indruk op hem maakte dat hij dat als zijn verhaal beschouwt, als datgene wat hij te vertellen heeft. Op vakantie met een vriend raakt hij verzeild op een afgelegen boerderij, waar een zangeres optreedt. Op een podiumpje in een slonzige schuur laat een meisje betoverend gezang horen. Ze brengt Dom in vervoering: ‘Ik probeerde niets te beschrijven. Ik was me niet bewust van mezelf, zoals ik dat meestal wel was.’ Maar er bekruipt de jonge mannen ook wantrouwen. Staat dit meisje wel vrijwillig te zingen? Of wordt ze door haar familieleden uitgebuit, misbruikt?

Grip op de realiteit

Dom krijgt het niet bevredigend op papier, hij kan er geen vat op krijgen en dat beangstigt hem: door te schrijven kun je grip op de realiteit krijgen, daarvan is hij overtuigd. Hij verliest die grip volledig wanneer zijn vriend, inmiddels begenadigd bestsellerschrijver, een nieuwe roman publiceert: een modieus misbruikverhaal over het zangeresje. Dom voelt zich gepiepeld, en nog wel meer dan dat.

De ongerijmde gebeurtenissen buitelen vanaf dan over elkaar heen – een onbestelde escortdame belt ’s nachts aan, er hangt ineens ‘een pulserende zwarte parel’ voor Dom in de lucht, et cetera. Indrukwekkend aan Koelemans koele, onopvallend zelfbewuste manier van vertellen is dat hij de grimmigste dreiging kan suggereren als er iemand ook maar een verbandtrommel uitpakt, en dat je tegelijk de grootste eigenaardigheden gewoon slikt. Nog het beklijvendst is een verhaal dat een zwerver Dom op een gegeven moment vertelt: over een tropenarts die ver weg in de jungle een vrouw aantreft die een lichtschakelaar in haar been heeft, waarmee ze de maan kan uitzetten. Raar, maar waarachtig.

Je vraagt je af: waar ben ik in terechtgekomen? Is dit een droom, of een surreëel universum dat in fictie gewoon kan bestaan? Koeleman laat gaandeweg blijken dat Dom aan wanen lijdt (die, zoals we weten, net zo echt kunnen voelen als iedere andere waarneming). En in plaats van Doms angst en ontregeling mee te voelen, blijf je door die duidelijkheid op veilige afstand. Wat hij tijdens zijn wanen uitspookt, heeft nauwelijks consequenties. Dat is toch wat teleurstellend – de verhalen in Engels voor leugens lieten ons in de waan. De scène waarin de hoofdpersoon ‘geneest’, een semi-religieuze ervaring waardoor hij inziet dat er ook rust en waarachtigheid kunnen schuilen in het oncontroleerbare, is ook niet bijster origineel. In dat deel van de roman zie je vooral het idee dat Koeleman met zijn verhaal lijkt te willen uitdragen, en het verhaal wordt er eerder schematisch van (en daardoor al te kunstmatig) dan organisch. Ongemerkt verstrikt raken in een illusie, en erin geloven alsof het echt is, waardoor idee en verhaal versmelten – dat is toch het ideaal.

Ideeënroman

Wat niet wegneemt dat het een vruchtbaar idee is, en dat Het wikkelhart als ideeënroman overtuigt – ook dankzij het sterke laatste deel, waarin de notie van echtheid nog een keer onderzocht wordt. Natuurlijk hoeft iets in de literatuur niet echt te zijn om wel echt te voelen – hoe alle autobiografen van tegenwoordig daar ook over mogen denken. Dát besef is de ware genezing van Dom. In dat moment bij het zangeresje in de schuur school de waarheid: ze zong, en bracht zo iets teweeg – zonder dat haar persoonlijkheid, haar geschiedenis of haar bedoeling daar verder iets mee te maken had. De vervoering was alles.

    • Thomas de Veen