Recensie

Nietzsches les voor Nederland

Friedrich Nietzsche

Het geseculariseerde Nederland, nog steeds in de greep van semi-religieus kuddegedrag, is gebaat bij een dosis Nietzsche. Want ook als de leugen gezond is wijst deze filosoof die af, in het voortreffelijk vertaalde De vrolijke wetenschap. Uit mensenliefde, volgens Arnon Grunberg.

Illustratie Gijs Kast

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is vooral een groot stilist. De lezer heeft bij Nietzsche het gevoel dat wanneer hij twijfelde tussen stijl en het systematische denken hij de voorkeur gaf aan stijl, iets waarvoor de literatuurliefhebber hem alleen dankbaar kan zijn, geen literatuur zonder stijl, wat niet wil zeggen dat het literatuurbedrijf weinig meer zou zijn dan stijlfetisjisme. Aan literatuur en filosofie wordt wel eens aanstoot genomen en het is zelden dat de censor, de kerk, de liefhebber van de goede smaak – of in welk gewaad zij die aanstoot nemen zich ook hebben gehuld – woedend worden over stijl.

Bij twijfel tussen stijl en systematisch denken is het voor de ongeoefende denker – zijn wij dat niet allen? – verstandig te kiezen voor stijl. Aan het systematisch denken kleven gevaren. Niets getuigt van zoveel systematiek als de paranoïde waan.

Vergelijkt men het werk van Nietzsche met dat van systematische denkers als Kant, Hegel, Heidegger en Spinoza (om er maar vier te noemen) dan zijn de zinnen van Nietzsche vrijwel altijd een verademing. Zelfs als hij bombastisch klinkt, ook als hij spreekt als een goeroe wiens gevoel voor ironie hem in de steek laat, of als het lijkt alsof hij Leonard Cohen citeert (wat Nietzsche geen compliment zal hebben gevonden), dan nog wordt de lezer voortgestuwd door de zekerheid dat in een volgende paragraaf de stijl Nietzsche zal komen redden. Wat is die stijl van Nietzsche? Consequente kwaadaardigheid overgoten met de saus van wanhopige mensenliefde, het ware gezicht van het waarheidsgebod, en daar duikt in de verte het probleem op van het nihilisme, voor zover dat nog een probleem is.

Overigens beoog ik het werk van voornoemde vier denkers niet opzij te schuiven – daarvoor mis ik godzijdank de autoriteit – hooguit wil ik opmerken dat het in het geval van Heidegger eerder een kwestie van niet willen dan van niet kunnen was, getuige zijn brief over het humanisme aan Jean Beaufret. Ook heb ik nog nooit zo’n dodelijke kritiek op Spinoza gelezen als in Nietzsches De vrolijke wetenschap, en dan ook nog tussen haakjes, alsof de doodsteek geen zelfstandige zin waardig was. In de uitstekende vertaling van Hans Driessen, zijn laatste, luidt die: ‘(want, het zij me vergeven, wat van Spinoza overbleef, amor intellectualis dei, is een geklepper, niets meer! wat is amor, wat deus als elke druppel bloed eraan ontbreekt?...)’

Ja, wat is verstandelijke liefde voor God, of voor wie dan ook, als zij tot ons komt in bloedeloos proza? Ik wil de spinozisten niet beledigen, maar in dezen sta ik aan de kant van Nietzsche, de liefde zonder bloed bewaar ik voor het verpleegtehuis.

Antisemiet en filosemiet

In een nawoord bij deze nieuwe uitgave van De vrolijke wetenschap roept Nietzsche-deskundige Paul van Tongeren de lezer op niet te denken dat samenhang bij Nietzsche zou ontbreken. Gelukkig wordt de lezer toegestaan die samenhang zelf aan te brengen. Ik zou zeggen dat Nietzsche in De vrolijke wetenschap de volgende thema’s behandelt: God en mens, lijden en grootheid, medelijden en roem, Joden en toneelspelers, de lach en de stijl.

Ook moet worden benadrukt dat het werk van Nietzsche veel gemeen heeft met het Oude en Nieuwe Testament. Zij die menen dat universele liefde het plan van God is kunnen in de Bijbel legio citaten vinden om hun mening van bewijzen en andermans autoriteit – het bewijs leunt veelal op andermans autoriteit – te voorzien. Maar zij die geloven dat zondaars, ook in geval van twijfel, aan het zwaard moeten worden geregen, komen ook aan hun trekken in het Oude en Nieuwe Testament. De mensen die roepen dat de Koran zo’n vreselijk boek is kennen de Bijbel alleen van horen zeggen.

Zo kun je ook bij Nietzsche legio citaten vinden die bijvoorbeeld bewijzen dat hij een antisemiet was. Je kunt ook legio citaten vinden die bewijzen dat hij filosemiet was, waaraan hooguit moet worden toegevoegd dat filosemitisme een speciale vorm van antisemitisme is, want waarom zou je, als het zo moeilijk is van individuen te houden, van volkeren houden? Het haten van volkeren is vanuit zedelijk oogpunt een nog grotere stommiteit.

Wat ons brengt op de populaire beschuldiging dat Nietzsche een wegbereider zou zijn geweest van het nazisme. Dat is enerzijds te veel eer voor Nietzsche, de nazi’s hadden hem niet nodig, en anderzijds getuigt het van een eenzijdige manier van lezen. Wie alleen Openbaringen – het laatste deel van het Nieuwe Testament – leest, zou ook kunnen denken dat een christen iemand is die de hel op aarde wenst te stichten om zo de terugkeer van Christus te bespoedigen.

In zijn voortreffelijke essay Nihilisme en cultuur, waarin hij zich met Nietzsche en nihilisme bezig heeft gehouden, citeert J. Goudsblom de criticus Gomperts om duidelijk te maken wat nationaal-socialisme als ‘symptoom van het nihilisme’ is: ‘Verzet tegen de geest, onverschilligheid ten opzichte van de waarheid, onverschilligheid ten opzichte van de burgerlijke moraal van eerbaarheid en rechtmatigheid.’ Helaas blijkt een bevriende president aan al deze symptomen te lijden en ook elders in het Westen zijn partijen, bewegingen en politici actief die deze symptomen hebben omgetoverd tot deugd. Zijn zij de achterkleinkinderen van Nietzsche?

Het probleem van de waarheid

Hij zal zich niet verbaasd hebben over hun komst, maar hij heeft hun niet de weg gewezen. Ja, Nietzsche bekritiseert de moraal, hij laat zien dat waarheid een probleem is omdat zij verward wordt met het nuttige en het goede en hij is ook niet te beroerd aan te tonen dat de geest minder fraai is dan de liefhebbers ervan ons willen doen geloven. Net als Spinoza heeft hij weinig ontzag voor medelijden, maar wie de perverse kanten van het medelijden doorziet stelt nog niet dat de ander moet sterven onder onze zweepslagen.

Als hij aan het begin van Aldus sprak Zarathustra schrijft: ‘Ik leer u de Übermensch. De mens is iets wat overwonnen moet worden’, dan horen wij niet de laarzen van het fascisme, vernietigen is iets anders dan overwinnen.

En in De vrolijke wetenschap citeert Nietzsche Heraclitus: ‘De oorlog is de vader van alle goede dingen.’ Nietzsche voegt eraan toe: ‘De oorlog is ook de vader van het goede proza.’ Deze toevoeging lijkt mij meer waarheid te bevatten dan het aforisme van Heraclitus. Misschien waren we beter af geweest zonder oorlog en hadden we ons graag met minder goed proza door het leven geslagen, maar de oorlog is een feit (ik doe even alsof alle oorlogen één oorlog zijn) en we hebben er mede goed proza aan te danken.

Overigens is het precies die vraag, zouden we beter af zijn zonder oorlog, die Nietzsche oneigenlijk vindt. Aan het begin van De vrolijke wetenschap schrijft hij: ‘Ik verwacht nog steeds dat een filosofisch arts, in de uitzonderlijke betekenis van dit woord – dus iemand die het probleem van de gehele gezondheid van volk, tijd, ras en mensheid moet nagaan – ooit de moed zal opbrengen mijn verdenking op de spits te drijven en de volgende stelling te wagen: bij al het filosoferen ging het tot dusver helemaal niet om “waarheid”, maar om iets anders, laten we zeggen om gezondheid, toekomst, groei, macht, leven...’

Daar is het de arts Nietzsche om te doen, dat is waar het nihilisme over gaat, dat het waarheidsgebod slecht kan zijn, dat misleiding misschien beter is voor de mensen. Hij is de arts die een bijzondere genezing heeft aan te bieden, want zelfs als de leugen ons gezond houdt, dan nog wijst hij die af. Waarom schrijven als het waarheidsgebod ons drijft tot eenzaamheid, krankzinnigheid, eventueel verbittering en de patiënt niet geneest? Het Pathos des Umsonst komt nu om de hoek, waarover Goudsblom beweert dat Kierkegaard en Nietzsche dat schrijvende te boven zijn gekomen. Ah, de geneesheer geneest zichzelf.

De dood van God

In De vrolijke wetenschap komt de krankzinnige man voor die dikwijls verkeerd begrepen uitspraken doet over de dood van God. Hoe groter de bekendheid, hoe groter het misverstand. De krankzinnige roept: ‘God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe troosten we ons, moordenaars aller moordenaars? Het heiligste en machtigste dat de wereld tot dusver bezat, is onder onze messen leeggebloed – wie veegt dit bloed van ons af? Met welk water zouden we ons kunnen schoonspoelen? Welke verzoenfeesten, welke gewijde spelen zullen we moeten bedenken?’

Een van de gewijde spelen die wij hebben bedacht is de wetenschap. In paragraaf 33 getiteld ‘Buiten de collegezaal’ schrijft Nietzsche dat de mens ‘na enorme zelfoverwinning, een wantrouwig dier’ is geworden, en een boosaardig dier, omdat hij nu de wetenschap nodig heeft.

Die wetenschap die naar waarheid zoekt en die wij aanzien als goed en nuttig, terwijl Nietzsche beseft dat het ware niet het goede en het nuttige hoeft te zijn. Wittgenstein schreef dat wij een intuïtieve behoefte hebben aan waarheid, zelfs als die niet goed voor ons zou zijn. Nietzsche maakt zich er met de noodsprong van de intuïtie niet vanaf. Hij beseft dat er twee mogelijkheden zijn: wij zetten de waarheid op een troon en we doen alsof de waarheid altijd goed en nuttig is, wat een leugenachtige troon is voor iets wat geen leugens zou moeten verdragen. Of wij erkennen dat het waarheidsgebod een goddelijk gebod is, dat waarheid en God niet van elkaar te scheiden zijn. Dan doet zich het probleem voor dat de meeste mensen God nog altijd met het oude godsbeeld associëren: een beoordelend wezen, dat schept en vernietigt, dat rechtspreekt, dat ons ziet en waaruit wat Nietzsche graag ‘de slavenmoraal’ noemt is voortgekomen.

Er zit in het nihilisme een religieus besef, maar de waarheid als God en God als waarheid doet aan liefde noch haat, spreekt geen recht, heeft geen uitverkorenen, kent geen zonde, biedt geen genezing, hooguit de sensatie te weten. Wij zijn zo dicht bij de God van Spinoza gekomen, maar natuur en waarheid zijn nog niet identiek.

De behoefte bevolen te worden

Religie, zo suggereert Nietzsche, komt voort uit de behoefte van de mens om bevolen te worden. Heeft in het geseculariseerde Nederland de mens deze behoefte dan overwonnen? Welnee, hij wil nog steeds bevolen worden, alleen niet meer in kerken door dominees en priesters. Hij wil bevolen worden door anonieme instanties die ‘normen en waarden’ worden genoemd en waarin zelfs de leek de hand van de oude God kan herkennen. Normen en waarden, dat is niet veel meer dan het opgetuigde kudde-instinct: wat goed is voor de kudde is goed.

En daar komt dan het probleem van de toneelspeler bij kijken, waarover Nietzsche schrijft in paragraaf 361. Wie niet bij de kudde hoort doet immers alsof hij erbij hoort. Wie wil fulltime paria zijn? Hij noemt de Joden het ‘volk van de aanpassingskunst par excellence’. Hij gaat zover zich af te vragen: ‘Welke goede toneelspeler is tegenwoordig geen – Jood?’

Hij had het over welke minderheid dan ook kunnen hebben, het proces van assimilatie gaat altijd gepaard met toneelspel.

Maar tegenover ‘het beroemdste van alle medicijnen, genaamd moraal’ zijn wij allemaal tot toneelspelers verworden, tot Joden, wij blijven slikken zonder hoop op genezing.

Het verschil tussen de gelovige en de toneelspeler is het verschil tussen tragedie en komedie. De ‘religie van het medelijden’, zo schreef Nietzsche, is ‘de religie van de behaaglijkheid’.

Vrijwel nergens ter wereld is de God van de behaaglijkheid levendiger dan in Nederland. Nietzsche is niet het enige tegengif, maar wel een onmisbaar tegengif.