Recensie

De eeuwige Europese spagaat

Federaal Europa In een overzicht van de Europese integratie als vredesproject laat de Brit Andrew Duff, oud-europarlementariër, zien hoe Groot-Brittannië op verschillende terreinen een dwarsligger was.

Stemming in het Europees Parlement in Straatsburg, in 2015. Foto AFP

In 1974, één jaar nadat het Verenigd Koninkrijk lid was geworden van de Europese Gemeenschap, slaagde premier Harold Wilson er al in om de andere acht lidstaten bovenop de kast te krijgen. Hij eiste namelijk een ‘fundamentele heronderhandeling’ van het Britse lidmaatschap. De Britten hadden een waslijst aan eisen. Ze wensten een contributieverlaging. Ze wilden directe verkiezingen voor het Europees parlement blokkeren, en claimden zo veel regionale fondsen dat er voor Italië en Ierland weinig overbleef. Verder wilden de Britten hun relaties met de Verenigde Staten laten prevaleren boven de Europese, en wilden ze de Monetaire Unie verhinderen omdat dit ‘iets gevaarlijks en veel te ambitieus’ was.

In On Governing Europe; A Federal Experiment, biedt voormalig Brits europarlementariër Andrew Duff veel van dit soort déjà-vu’s. In dit geval, schrijft hij, ‘was de Britse diplomatie zo klunzig dat er maar één effect was: het verenigde de andere leden van de Gemeenschap (vooral Frankrijk en Duitsland) op een moment waarop de saamhorigheid van de acht door veel andere zaken op de proef werd gesteld’.

Liberaal-democraat Duff, voorzitter van de Spinelli Groep voor een federaal Europa, beschrijft hier de ontstaansgeschiedenis van de Europese Unie, bezien vanuit de ambitie van de oprichters: federalisme als manier om vrede in Europa te garanderen. Zelfs voor mensen die weinig ophebben met een federaal Europa is On Governing Europe interessant.

De Europese beloftes zijn altijd grandioos, maar de prestaties immer beperkt

Ten eerste is het een prima, leesbaar overzicht van de Europese integratie als vredesproject van 1945 tot nu. Duff toont hoe regeringsleiders veertig, vijftig jaar geleden even hard worstelden met soevereiniteit, veto’s en democratische tekorten als nu, omdat de strijd ook toen al ging tussen federalisten en intergouvernementalisten.

Besluitvorming

Ten tweede betoogt Duff, terecht, dat de EU ondermaats presteert omdat ze deels federaal is en deels intergouvernementeel. Die dichotomie maakt dat Europese beloftes altijd grandioos zijn, maar de prestaties immer beperkt, omdat besluitvorming zo hondsmoeilijk is.

Als Europa eens duidelijk zou kiezen, betoogt Duff, zouden die prestaties stukken beter worden. Ten derde toont dit boek hoe Europa grotendeels door de Britten met deze wijde spagaat is opgezadeld. Episodes als die uit 1974, waarbij Wilson na drie Franse veto’s eindelijk aan boord van de EG is gesprongen maar doet alsof hij de enige kapitein is op het schip, geven inzicht in Brexit en tonen hoezeer het vertrek van de Britten de politieke dynamiek op het continent kan veranderen.

Volgens Duff heeft het Verenigd Koninkrijk, op deze onbeholpen binnenkomer na (die vermindering op de begroting opleverde), twintig jaar redelijk constructief meegewerkt – tot aan de oprichting van de Europese interne markt, waarbij de Britse eurocommissaris Lord Cockfield een hoofdrol speelde. Daarna kwamen grote projecten als de euro en Schengen, en begon het Grote Britse Terugtrekken.

Nieuwe vormen van samenwerking zoals op het gebied van justitie werden op Brits aandringen minimaal gehouden en onderworpen aan unanimiteit. Londen vetode Jean-Luc Dehaene als Commissievoorzitter en maakte de regels voor meerderheidsbesluiten steeds strenger. David Davis (nu Brexit-minister) wilde lidstaten zelfs het Europese Hof laten overrulen.

Tony Blair blokkeerde het sociale Europa. Hij bedong Britse opt-outs, maar bemoeilijkte versterkte samenwerking van landen die wél meer integratie wilden. Hij probeerde het grondrechtenhandvest buiten de verdragen te houden en nationale parlementen meer macht te geven over Brussel.

Toen kwam Cameron, die zelfs opt-outs eiste binnen de interne markt, door een van de pilaren (vrij personenverkeer) niet meer te accepteren. ‘Als het VK onder Cameron lid had willen worden van de EU’, concludeert Duff, ‘zou het niet in aanmerking komen.’

Natuurlijk stonden de Britten niet alleen, al die tijd. Nederland, Denemarken en andere landen hebben lang achter de brede Britse rug gescholen, al naar gelang het onderwerp. Dat is voorbij. Wat betekent dit voor Europa? Meer federalisme, betere besluitvorming? Of houden we het eeuwig dreigende nationale veto, en blijft Europa continu onder haar gewicht boksen? Helaas gaat Duff niet op deze vragen in. Maar zijn nieuwe boek heeft wel de verdienste dat het focust op het allerbelangrijkste probleem dat de EU heeft.

    • Caroline de Gruyter