Column

Schuilen aan de rand van Europa

Ik weet niet of onze minister van Financiën, Wopke Hoekstra, zijn klassiekers kent. Maar toen ik las over de landen die hij bijeen had gebracht in zijn verzet tegen Macron en Merkel moest ik denken aan een boek van Joost Adriaan van Hamel: Nederland tusschen de mogendheden. In die lijvige beschouwing uit 1918 formuleert de rechtsgeleerde en politicus richtlijnen voor de diplomatie, ingegeven door ergernis over „de zorgeloze bijziendheid op internationaal-politiek terrein”, die hij kenmerkend acht voor ons land.

Volgens Van Hamel is het grootste gevaar voor Nederland gelegen in het ‘continentale imperialisme’, waarmee hij vooral doelt op een overheersing door Frankrijk of Duitsland. Het natuurlijke tegenwicht ligt in een bondgenootschap met Engeland. En ook noemt hij nog een belangenovereenkomst met kleinere landen op het Europese vasteland die zich tegen een dominante rol van Parijs en Berlijn keren.

Ik moest aan Van Hamel denken, omdat de diplomatieke koers die hij in 1918 beschreef nog volop doorwerkt. Nederland wierp zich immers dit voorjaar onder leiding van Hoekstra op als woordvoeder van de kleine landen – onder meer Finland, Ierland en Denemarken – die niet willen dat Frankrijk en Duitsland de toekomst van de eurolanden naar hun hand zetten.

In deze kleine-landen-politiek zien we het probleem dat voor Nederland is ontstaan door de Brexit. Op wie moeten we ons richten nu we niet meer kunnen leunen op Engeland? In de jaren zestig eiste de regering nog de toetreding van Groot-Brittannië tot de Europese Gemeenschap voordat men over verdergaande integratie wilde spreken. Dat lidmaatschap werd door onze minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns tegenover de weigerachtige Franse president Charles de Gaulle bepleit.

Nederland was altijd al dubbelzinnig over Europese eenwording. We wilden een opbouwende rol spelen en zagen heel goed de waarde van de Frans-Duitse verzoening na twee verscheurende oorlogen. Maar er bestond vanwege onze ligging en geschiedenis ook een sterke verwantschap met Groot-Brittannië, Denemarken en Zweden, niet toevallig allemaal landen die zich hooguit half bij Europa betrokken voelen. Nederland zag in de sceptische Britten een waarborg tegen Frans-Duitse overheersing.

De historicus Johan Huizinga heeft die anticontinentale traditie mooi verbeeld: „Over Delfzijl en Vaals loopt de grens tussen West- en Middel-Europa. In onze westelijkheid ligt onze kracht en de reden van ons bestaan. Wij horen aan de Atlantische kant.” En nog stelliger: „Het zwaartepunt van ons nationale bestaan ligt ternauwernood in het land zelf, maar in een virtueel punt van de oceaan.” De historicus boort hier in diepe lagen.

Dat westelijk zelfbeeld is nog springlevend, maar biedt steeds minder houvast. Met de uitbreiding van de Europese Unie naar het zuiden en het oosten is het machtspolitieke zwaartepunt verplaatst. De Brexit versterkt die verschuiving naar het midden, weg van de rand. Alles zegt me dat de grens tussen West- en Midden-Europa al lang niet meer over Delfzijl en Vaals loopt. En dat plaatst Nederland voor moeilijke keuzes, die het uit alle macht probeert te ontwijken.

De verleiding om de kant te kiezen van landen als Denemarken en Zweden – om te zwijgen over Groot-Brittannië – is nooit ver weg. Kijk naar de kleine-landen-politiek van de regering waar het gaat om de toekomst van de euro. Die positie aan de rand van Europa geeft bewegingsvrijheid. Tegelijk weet iedereen dat vooruitgang alleen mogelijk is door een compromis tussen Berlijn en Parijs. Veel meer om op te bouwen is er momenteel niet. Toch houden we afstand: als Nederland zich te veel in het midden van Europa waagt, verliest het ruimte voor eigen keuzes. Dan worden we nog meer afhankelijk van de zwakkere landen die de euro hebben en graag hun tekorten delen.

Hoe begrijpelijk ook, deze halfhartige opstelling vervreemdt burgers in toenemende mate van Brussel en omstreken. De publieke steun zal niet toenemen door het ‘nee’ tegen een bescheiden verhoging van de Europese begroting. Meer bescherming aan de buitengrenzen gaat niet lukken met minder geld: wie de mogelijkheden van de Unie wil benutten, moet ook de middelen vrijmaken.

Oude zelfbeelden botsen hard op een nieuwe werkelijkheid. Dat verklaart het voorzichtige en visieloze opereren van de regering. Ik weet niet of de historicus Rutte Nederland tusschen de mogendheden heeft gelezen. Een duidelijk kenmerk van onze diplomatie, zoals beschreven door Van Hamel, praktiseert de premier in ieder geval met verve: „Diplomatieke traagheid, en een systematische, schier ingeboren tactiek van zaken slepende te houden en te traineren.” Ik snap de omtrekkende bewegingen, maar toch kan de dag dat er gekozen moet worden, niet eeuwig worden uitgesteld.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese Studies.