Foto Frank Ruiter

‘Reken maar dat ik ook last heb van vooroordelen’

Lunchinterview Martje van der Brug (59) zet in haar nieuwe roman de gescheiden werelden van elite-studenten en vluchtelingen tegenover elkaar. In haar eerdere boek Havo is geen optie nam ze al elite-ouders op de korrel.

Martje van der Brug draagt geen parelketting en geen geruite rok, maar ze is onmiskenbaar Wassenaars. Vindt ze zelf ook. Als ik haar halverwege de spinaziesla met feta vraag wanneer ze is opgehouden een elite-vrouw te zijn zegt ze: „Ik ben nog steeds een elite-vrouw. Niet in mijn hoofd, wel voor iedereen die er van buitenaf naar kijkt.”

En ja, zoals ze daar zit in het paviljoen van het Kasteel Duivenvoorde, te midden van andere sla-etende vrouwen, zou je niet denken dat ze net wéér een boek heeft geschreven waarin ze kritisch de zeden en gewoonten van haar eigen kringen analyseert. Met haar geblondeerde haar en haar hockeystem valt ze niet op. En zoals ze haar entree maakte. Alle tafels bleken bezet, maar binnen een minuut had ze beleefd en beslist geregeld dat we ergens konden zitten.

Haar vader: ingenieur bij Shell. Haar man: advocaat. Zijzelf: een gesjeesde Leidse student die lachend vertelt hoe leuk ze het bij Minerva had, hoe blij ze is met de ‘structuur’ die het corpslidmaatschap je voor de rest van je leven biedt. De huis- en clubweekends, de lustra. Haar kinderen, twee meisjes en een jongen, heeft ze met de assistentie van veertien au pairs grootgebracht en vanaf hun zestiende reden ze (de kinderen) rond op „zo’n te dure Vespa”.

En dan toch die boeken. Het eerste, Havo is geen optie, gaat over een school die sprekend op het Rijnlands Lyceum in Wassenaar lijkt. Wat elite-ouders doen als hun kind minder briljant blijkt dan zij zich wensen. Wat ze zich menen te kunnen permitteren als hun kind tegen alle afspraken in op een schoolfeest dronken tegen de grond klapt. Leraren boos? Sancties? Advocaat op hun dak!

Haar tweede boek, Wat doen we met moeder, gaat over de verzonnen mevrouw Van Hemert-van Tetrode die na een hartinfarct hulpbehoevend wordt en dood wil. De ruzies die dan losbreken tussen haar kinderen. „Het angstaanjagende was”, zegt Martje van der Brug, „dat mijn moeder niet lang daarna een hersenbloeding kreeg en ook euthanasie wilde.” Maar nee, in het echte leven werd het geen ruzie tussen haar en haar broer en twee zussen. Die hadden ze al gehad rond de ziekte en de dood van hun vader. Die leed aan parkinson.

In haar nieuwe boek, Zo doen we dat hier, beschrijft ze de lotgevallen van Dirk baron De Larrey, voor zijn vrienden Larie, die na vier jaar rechten nog steeds zijn bachelor niet gehaald heeft en in een stomdronken nacht op de sociëteit op de rug van een nuldejaars springt. Of nou ja, je zou het vallen kunnen noemen. Larie staat op een leeg bierfust dat op een stoel is gezet, hij verliest zijn evenwicht en om niet af te gaan spreidt hij zijn armen en doet alsof hij duikt. De nuldejaars, die zich verplicht ligt op te drukken in plassen bier, breekt zijn ruggengraat. Niet lache.

Lees ook: Veel ouders moeten er niet aan denken dat hun kind naar het vmbo gaat. Hoe is dat als hun kind er eenmaal op zit?

Het scenario dat dan in werking treedt: zwijgen, toedekken, afkopen. Alles om publiciteit te voorkomen en uit het zicht van het Openbaar Ministerie te blijven. „Ik verzin het niet hè”, mailt Martje van der Brug me de dag voor onze afspraak. „Had je het al gelezen? Opnieuw mishandeling bij het Groningse studentencorps Vindicat.” Op 3 december werd op de sociëteit een student mishandeld (hersenschudding) en de rector van Vindicat heeft dat tegen de afspraken in niet gemeld. Nu het toch is uitgekomen zegt hij dat hij ‘stom’ en ‘nalatig’ geweest is.

Kniezen op zijn oude jongenskamer

Dirk, alias Larie, moet na het ‘incident’ – zo wordt het ongeluk slash de mishandeling in Zo doen we dat hier genoemd – weg uit het huis waar hij met andere corpsleden woont. Hij gaat terug naar het landgoed van zijn ouders, Waldemar (‘Wally’) en Elisabeth, en wil zijn intrek nemen in het koetshuis. Maar dat kan niet, want Elisabeth heeft zich, noblesse oblige, door burgemeester Groeninks en de dominee (‘de Do’) laten overhalen om daar voor een jaar vier Arabische vluchtelingen in te huisvesten: vader Khalid (internist, atheïst), moeder Fatima (huisvrouw), hun mooie en slimme dochter Yasmin – ze wil rechten wil gaan studeren – en hun boze zoon Mohammed die van heimwee en verdriet alle dagen naar de moskee vlucht. Dirk mag gaan zitten kniezen op zijn oude jongenskamer.

Denk verliefdheid (Dirk en Yasmin) en denk fundamentalistische vooroordelen: de plot. Maar nee, niet alleen de vooroordelen van Mohammed over westerlingen, over vrouwen. Martje van der Brug laat ook de vooroordelen van Nederlands-Hervormde adel zien, van de geprivilegieerde burgerij met luxe linkse opvattingen, van de leden van het studentencorps die sowieso diepe minachting voelen voor alle mensen die niet precíes zijn zoals zij. En dan hoe zíj tegen vrouwen aankijken. Hoeren. Gebruiksvoorwerpen.

Ik was verbijsterd dat mensen die op de mavo hadden gezeten heel goed in hun vak bleken te kunnen zijn

Martje van der Brug

En haar eigen vooroordelen? „Reken maar”, zegt ze, „dat ik daar ook last van heb.” Twee en een half jaar geleden had ze wat dit betreft een interessante „confrontatie met zichzelf”. Ze is, naast schrijver en copywriter, buitengewoon ambtenaar bij de burgerlijke stand en ze zou het huwelijk sluiten tussen een Nederlands meisje en een jonge Arabier. Upper class, allebei. Goed opgeleid, goede banen. Bij de voorbereiding bij haar thuis aan de keukentafel duurde het geen vijf minuten of het meisje zat te huilen. Waarom? Zijn ouders weigerden bij de plechtigheid aanwezig te zijn. Ze waren tégen, omdat zij geen moslim was. „Terwijl ik dacht”, zegt Martje van der Brug, „dat die ouders zich in hun handen mochten knijpen: zo’n goede Nederlandse partij.” Ze lacht. „Ik vond dat zij meer reden hadden om tegen ons op te kijken dan andersom.”

Ze was al bezig met Zo doen we dat hier en opeens wist ze welke gesloten werelden ze tegenover elkaar ging zetten. Ja, ze heeft veel onderzoek gedaan. Lezen, lange gesprekken met een vriendin die in Saoedi-Arabië woont, met voormalige vluchtelingen die ze coacht. En om Dirk, alias Larie, geloofwaardig te maken? Heeft ze daar haar kinderen voor geraadpleegd? „Nee, want zij zijn geen lid van het corps geweest.” In haar gezin, zegt ze, is iedereen serieuzer dan zij. Ze is omgeven door „noeste werkers”. Haar oudste is jurist, de andere twee zijn econometristen. Ze is geholpen, zegt ze, door vrienden van haar kinderen, en door kinderen van haar vrienden. „Ik ging lekker een hapje met ze eten en op voorwaarde van strikte geheimhouding en volstrekte anonimiteit vertelden ze me dan de schitterendste verhalen.”

Waarom waren ze zo voorzichtig? „Het kon gevaarlijk voor ze worden. Ze zouden zichzelf sociaal onmogelijk maken.” Maar collaboreren, zeg ik, wilden ze dus wel. „Ja. Er waren erbij die zich afvroegen of ze eigenlijk wel vrienden bij het corps hadden gemaakt. Ze hadden hun tijd daar als een zware last ervaren. Alleen maar bezig geweest om zich te handhaven en hun positie van godenzoon veilig te stellen.”

Lang leve de lol, met nul ambitie

Zelf heeft Martje van der Brug geen nare herinneringen aan het corps. Voor haar was het „lang leve de lol”. Ze studeerde geschiedenis, met „nul ambitie”. Opkomst van de arbeidersbeweging? Wortels van het nazisme? Het interesseerde haar „helemaal niets”. Hoe kwam dat? „Omdat in mijn leven altijd alles vanzelf was gegaan. Ik had niet het gevoel dat ik in de wereld het verschil moest gaan maken. Mijn moeder – zij had zelf niet mogen studeren en haar broer wel – sprak me er wel eens op aan. Of het niet mijn eer te na was om zessen te halen, of onvoldoendes. Dan dacht ik: wat zeur je nou? Ik was gewoon” – ze grijnst – „een verwend secreet.”

Ze blijft het een wonderlijke paradox vinden: dat kinderen die alles hebben en niets hoeven te bevechten elk doel in hun leven lijken te verliezen.

Ze begon pas te veranderen, zegt ze, toen ze na baantjes bij Shell (assistent van een recruiter) en bij een advocatenkantoor (‘tikgeit’) bij een reclamebureau ging werken. „Artdirectors, zetters, tekenaars, koeriers met een helm op, ik was er nog nooit mee in aanraking gekomen. Ik was verbijsterd dat mensen die op de mavo hadden gezeten en de zoon van een politieman in Rotterdam-Zuid waren heel goed in hun vak bleken te kunnen zijn. Ik schaamde me dat ik dat daarvoor nooit gezien had.” Ze heeft nog steeds niets tegen het corps, zegt ze. Wat ze zichzelf wel verwijt: dat ze zich daardoor zo lang buiten de werkelijkheid heeft laten plaatsen. „Ik heb er even over gedaan om te ontdekken hoe de echte wereld is.” Wat hielp: dat haar man geen lid was geweest. Ander milieu dan zij.

Lees ook: Hoe welgestelde stadskinderen zich misdragen (en ermee wegkomen)

Is ze niet bang om door haar nieuwe boek vrienden te verliezen? „Ik verwacht wel moeilijkheden”, zegt ze. „Toen ik het aan het schrijven was vroegen sommigen al waarom dat nou moest. Ze vinden dat ik de toch al zo kwetsbare en onder vuur liggende verenigingen nog meer beschadig. Die jongens hebben het al zo zwaar.” Wat zegt zij dan? „Dat het shooting the messenger is. Ík heb niemand de tanden uit zijn bek geslagen bij Vindicat. En ik weet heus wel dat dat soort dingen overal gebeurt, niet alleen bij het corps. Het verschil is alleen dat het corps zich na zo’n incident als een oester sluit. Geen enkele transparantie.” Ze doet overtuigend het geluid van een blatende kakker na, WHA, WHA, WHA. „Zo’n reünist-Zuidasadvocaat die dan zegt dat ze dat varkentje wel even onderling zullen wassen. Ik vind dat” – ze zoekt naar de juiste woorden – „gewoon heel irritant”.

    • Jannetje Koelewijn