Ooit betekende Jodenhaat ‘haat door Joden’

Ewoud Sanders

Gek genoeg bestaat er, naar mijn weten, nog geen uitvoerige historisch-taalkundige beschrijving van de woorden antisemitisme en Jodenhaat die op de voorpagina van deze krant opdoken. De etymologiebank, de belangrijkste bron voor de herkomst van Nederlandse woorden, vermeldt wel anti- en semiet, maar de combinatie antisemiet ontbreekt. Anti-Belgisch en antikerkelijk staan er wel in.

Anti- komt uit het Grieks en betekent ‘tegen’; semiet is in 1781 bedacht door de Duitse historicus August Ludwig von Schlizer voor Semitisch sprekende volkeren, waaronder de Joden. Hij verwees ermee naar Sem, de oudste zoon van Noah (voorheen bekend als Noach).

Wat dit betreft heb je ook niet veel aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dit wetenschappelijke woordenboek beschrijft de Nederlandse woordenschat van 1500 tot 1976, maar het woord Jodenhaat ontbreekt. Jodenhak (betekenis ‘sleephiel’) en jodenhanden (‘vuile jodenhanden’) staan er wel in.

Naar het woord antisemitisme moet je goed zoeken in het WNT. Het staat bij anti- in de verouderde spelling antisemietisme. Een definitie ontbreekt. Het woordenboek haalt als eerste vindplaats een bron uit 1920 aan waarin staat: „Antisemietisme, een niet geheel juiste naam voor het daarmee aangeduid verschijnsel. Immers het ‘Anti’ betreft alleen de Joden, en wel voorzoover zij te midden van Christenvolken wonen.”

Inhoudelijk klopt dat niet – antisemitisme kwam ook toen al elders voor – maar de redactie van het WNT is natuurlijk niet verantwoordelijk voor de inhoud van de aangehaalde citaten. Een eigen definitie en meer historische informatie waren wel op hun plaats geweest, want het woord antisemitisme kwam toen al zeker vijftig jaar in het Nederlands voor.

Voor zover mij bekend dateert het woord Jodenhaat uit de achttiende eeuw. Men bedoelde er toen geen haat tegen Joden mee, maar haat door Joden. Joden zouden bijvoorbeeld Christus haten en daarmee alle christenen. Of andere joden als die zich hadden bekeerd tot het christendom. Ik denk dat je kunt stellen dat het woord Jodenhaat in de toenmalige betekenis uit antisemitisme is ontstaan.

Het woord antisemitisme is naar alle waarschijnlijkheid bedacht door de Joods-Moravische wetenschapper Moritz Steinschneider. Hij gebruikte het in 1860 voor het eerst in een publicatie tegen een Fransman die stelde dat joden vanuit gewelddadige en zelfzuchtige instincten hun monotheïstische geloof aanhingen. Vervolgens, in de jaren 1870-1880, werd het woord antisemitisme geregeld gebruikt door de Duitse agitator Wilhelm Marr, als eufemisme voor Judenhass. Marr was een werkloze journalist die meende dat hij door Joden zijn baan was kwijtgeraakt.

In 1870 dook het woord antisemitisch voor het eerst in een Nederlandstalige krant op. Het staat in een bespreking van de roman Lothair van de Joods-Britse staatsman en schrijver Benjamin Disraeli. De Java-Bode signaleerde daarin „anti-semitische paradoxen”. Vanaf 1879 ging het in Nederlandse kranten vaak over de Anti-Semiten-Liga, een door Wilhelm Marr in Duitsland opgericht ‘Verbond tegen de Joden’.

Hoewel het woord antisemitisch dus al sinds 1870 in het Nederlands voorkomt, duurde het tot 1898 voordat het in Van Dale werd opgenomen. Volgens dit woordenboek was een antisemiet „hij die de joden uit Europa wil verbannen”. Bij de afleiding antisemitisch gaf dit woordenboek als voorbeeldzin: „De anti-semitische partij is eene schande voor onze eeuw.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders