Een studie om de hele wereld te verbeteren

Veranderkunde Ooit telde het land honderden andragologen. Hun studie kwam na 1968 razendsnel op – en bleek ongeveer even snel irrelevant. Of toch niet?

Andragoloog Henk Wesseling: „De sector was verdacht gemaakt, andragologie een scheldwoord geworden.” Foto Andreas Terlaak

Vanonder de rand van zijn hoed tuurt andragoloog Henk Wesseling naar de blinkende torens van de universiteit. Dáár, op een bovenverdieping van de faculteit sociale wetenschappen, zou de opleiding andragologie goed passen. Of dáár, wijzend naar de toren van bestuurskunde. Of dáár, bij economie. Of, nog beter, in het bruggebouw dat al die torens met elkaar verbindt, vanwege het multidisciplinaire karakter. Glimlachend: „Maar daar zit het college van bestuur al.”

Dromen is de 74-jarige Wesseling niet verleerd.

De andragoloog loopt met een plastic tasje van de boekwinkel in zijn hand over het campusterrein van de Universiteit van Amsterdam, langs appende en kletsende studenten, voertaal Engels. Weg uit de drukte, naar een gebouw achteraf. Daar zit de facilitaire dienst, en de ICT, en, in kamer B0.63, de Kring Andragologie, de alumnivereniging waarvan hij tot voor kort voorzitter was – een nieuwe is nog niet gevonden.

Hoe anders was dat in 1969, toen Wesseling met ruim honderd eerstejaars studeerde op de Prinsengracht in Amsterdam, hét centrum van de andragologie. De studie was net opgericht en zou enkele jaren later zeshonderd studenten tellen, op universiteiten van Leiden tot Groningen.

Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968. Lees de verhalen hier.

De opkomst van andragologie verliep net zo snel als haar ondergang. De studie werd onvoldoende relevant bevonden en in de jaren 80 officieel opgeheven. Andragologen raakten hun baan kwijt en verdwenen van de universiteiten, hun boeken uit de bibliotheken en de term andragologie uit het vocabulaire. Alsof de hele wetenschap nooit had bestaan.

Toegegeven, het is ook lastig uitspreken, andragologie. Of eigenlijk agologie, zoals grondlegger Tonko ten Have in 1962 in een verkennend werk schreef. Of liever nog agógologie, maar dat achtte hij een „iets al te bezwaarlijk woord”, waarna Ten Have één van de go’s schrapte en de term sociale agologie muntte, waaronder pedagologie, andragologie en gerontagologie vielen.

Ten Have vernauwde de studie later tot andragologie, de opvoeding van volwassenen (andros). Een studie naar de effecten van welzijnswerk op volwassenen, bijvoorbeeld, zoals pedagogen kijken naar invloed van opvoeden op kinderen.

Onplezierige situatie

Maar eigenlijk is de definitie nooit vast komen te staan, zegt onderzoeker Maaike de Boois, die in september haar proefschrift verwacht te verdedigen over de opkomst en ondergang van het vak. Haar hoofdstuk over de definitie en alle bijbehorende vertakkingen heeft ze acht keer herschreven. „Sommigen noemen het veranderkunde, anderen vinden dat weer een vies woord. Het is niet te doen! Wat je ook opschrijft, het klopt nooit helemaal.”

„Andragologie is de studie naar het doelgericht veranderen van een bestaande, onplezierige situatie, in een betere”, zegt Wesseling op het campusterrein. Hij pakt uit zijn tasje een blocnote en een pen en tekent een lijnenspel met cirkels en blokken. „De verandering moet het leven van een individu, een familie, een buurt, verbeteren. Als andragoloog ga je met het subject een relatie aan. Je wilt niet alleen verklaren, je wilt óók veranderen. Dat is het grote verschil met andere studies.”

Een andragoloog verbetert de wereld. Het normatieve karakter verklaart volgens De Boois de enorme toeloop aan studenten direct na de oprichting. In de naoorlogse jaren van wederopbouw groeide het streven naar sociale rechtvaardigheid. Er heerste geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Dat leidde tot professionalisering van het welzijnswerk, en het idee dat ook de universiteit een maatschappelijke bijdrage kon leveren, vooral zo’n multidisciplinaire wetenschap – dat was nieuw – als andragologie. „Ten Have voelde dat goed aan.”

En zo trok Henk Wesseling, voorbestemd om de Drentse boerderij van zijn vader over te nemen, naar Amsterdam. „Net op het goeie moment.” Zo stond hij in 1965 tussen de provo’s op het Spui en na een praktijkstudie aan de sociale academie schreef hij zich in voor het verdiepende andragologie. Hij maakte de Maagdenhuisbezetting mee en de bijbehorende democratisering op de universiteit, waarbij studenten meer invloed eisten.

Henk Wesseling maakte ook mee dat Ten Have er de brui aan gaf. „Ik heb ’m nog helpen sjouwen, alle boeken gingen in een karretje mee naar huis.” De grondlegger van de andragologie ging vervroegd met pensioen.

Abstractie

Er speelde meer. Binnen de vakgroep was een conflict ontstaan over democratisering. Studenten mochten, nee, móésten meedenken over de inhoud van het vak. Ten Have vond dat onwerkbaar. Hij was er zelf nauwelijks uit wat andragologie nou precies moest zijn. De Boois: „Hij wilde sociale verbetering door verandering. Maar wat die verbetering dan ís, het normatieve aspect, daar kwam hij niet uit. Hij raakte erover in de knoop.”

En terwijl jonge andragologen hunkerden naar de praktijk, vluchtte Ten Have, zoals een vakgenoot zei, nog verder in „de ijle hoogte der abstractie”.

Ook zijn opvolgers kwamen er niet uit. De Boois: „Die waren met de studenten voortdurend in vergadering over de richting. Andragologie, zei de een, gaat over handelen. Nee, over gesprek. Nee, het is wetenschapstheoretisch. Nee, toch praktisch. Het schoot alle kanten op, en andragologen op de vakgroep vochten elkaar de tent uit. Sommigen raakten overspannen, verlieten de universiteit.”

De ontwikkeling van het jonge vak werd ingehaald door de tijdgeest. De roep om zelfredzaamheid en individuele vrijheid nam toe en de visie op welzijn veranderde – waarom zou je mogen ingrijpen in het leven van een ander? Na twee oliecrises zwol de kritiek op welzijnswerk als duur en ondoelmatig aan, universiteiten moesten bezuinigen en de meerwaarde van die ‘paffende’ andragologen werd betwist. Factoren die aanvankelijk bijdroegen aan het succes van de andragologie – veelzijdige identiteit, maatschappelijke relevantie, grote studentenaantallen – droegen nu bij aan haar ondergang, meent De Boois. „Het was minister Deetman die zonder veel tegenwerking in 1983 de stekker eruit trok.”

„Alsof alle ruiten werden ingegooid”, herinnert Henk Wesseling zich. Hij was net dertig, had vrouw en kinderen en een huis en was aan de Universiteit Utrecht bezig met mooi onderzoek over de vorming van jonge agrariërs. Hij raakte zijn baan kwijt, en zijn vakgenoten. „We werden geatomiseerd.”

Maar het ergste vond hij dat mensen het woord andragologie niet meer toelieten in hun denken. „De sector was verdacht gemaakt, andragologie een scheldwoord geworden.”

Veel andragologen hadden zogenaamd iets anders gestudeerd. Ze werden sociaal wetenschapper, coach of interimmanager. Henk Wesseling, die een baan bij de Vereniging van Volkshogescholen vond, bleef zich als een van de weinigen andragoloog noemen. „Henk, dat kan toch niet!”, hoorde hij als hij het woord op de presentielijst van een conferentie zette.

Ballingschap

Wesseling loopt het gebouw binnen waar de door hem opgerichte Kring Andragologie huist. De deur van kamer B0.63 is op slot en de conciërge afwezig. Hij werpt een blik in het postvakje. De huurovereenkomst met de universiteit. En een horecarekening. „Nee, nee, geen alcohol. Koffie en thee!” Bij het verlaten van het gebouw houdt hij de deur open voor een passant. Knipogend: „We gedragen ons zo normaal mogelijk.”

Na dertig jaar ballingschap probeert Wesseling de andragologie nu weer stilaan in het curriculum van de universiteit opgenomen te krijgen. Maar zo’n verandering gaat in stappen. Kleine, doordachte stappen. „Je moet nooit wandelen als het regent.”

Foto: Andreas Terlaak
Foto: Andreas Terlaak
Foto: Andreas Terlaak

Het proces van relatieve wederopstanding begon in 2005, bij het jubileum van een docent op de Hogeschool van Amsterdam. „En nu gaan we met iedereen die andragologie heeft gestudeerd op de foto”, klonk het. De groepsfoto bleek groter dan verwacht. Er steeg een gevoel van herkenning op en niet veel later zat Wesseling met een groep van zeven bij het station op plastic stoeltjes voor een eerste bijeenkomst. „Nee, niet op de universiteit, dat lag voor sommigen te gevoelig.”

De Kring ging met de universiteit in gesprek, onderdeel van het „healingproces”, en kreeg een ruimte aangeboden. En ook boeken andragologie mochten worden opgenomen in de bibliotheekcollectie. Na al die jaren konden de kringleden eindelijk thuis hun boeken weer uit de kast trekken en van een nummer voorzien. Een hele overwinning.

Volgende stap was een door prominenten ondertekend manifest, in 2012, voor de herintroductie van een leerstoel andragologie. Die is er nog altijd niet, maar de vereniging biedt nu wel masterclasses aan over leiderschap en de kracht van sociaal werk en lezingen van filosofen als Hans Achterhuis en Gerard de Zeeuw. Want de andragologie hééft meerwaarde, zegt Wesseling. „Kijk naar de ongelijkheid in de wereld. Discriminatie, het onbegrip tussen culturen, dat zijn tekorten die de andragologie poogt op te heffen.”

Wesseling loopt over de campus terug naar het hoofdgebouw van de universiteit. Hij stapt er binnen, gaat een trap omhoog en draait een gang in. Hier, met uitzicht op een immense studiezaal, honderden studenten starend naar hun laptop, staat een kast met boeken achter glas. Het is de schatkamer van de andragologie, alle grote namen staan erin. „T.T. Ten Have, G.M.W van Enckevort Kabinet”, prijkt op het koperen plaatje. Wesseling haalt een fluwelen zakdoek uit zijn rechter broekzak en wrijft het schoon. In de studiezaal kijkt niemand op.

    • Freek Schravesande