Atari krijgt gezelschap van een roedel honden als hij op zoek gaat naar zijn hond Spots in ‘Isle of Dogs’.

Vier maanden werken voor zeven seconden ‘Isle of Dogs’

Curt Enderle ‘Isle of Dogs’ is de tweede stop-motionanimatiefilm van Wes Anderson. Stop-motionveteraan en art director Curt Enderle deed zijn decors en poppenhuizen.

Stop motion-veteraan en art director Curt Enderle was „dolgelukkig” toen hij werd ingehuurd voor Wes Andersons film ‘Isle of Dogs’.

In een toekomstige Japanse metropool, Megasaki City, zijn alle honden verbannen naar een vuilniseiland na een hondengriep-epidemie. De twaalfjarige Atari Kobayashi, de geadopteerde zoon van de burgemeester, crasht er met een vliegtuig op zoek naar zijn waakhond Spots; het begin van een speurtocht met vijf ‘angstwekkende, onverwoestbare’ alfahonden.

Isle of Dogs is na Fantastic Mr. Fox (2009) de tweede stop-motionfilm van de Amerikaanse filmmaker Wes Anderson. Stop-motion is een secure, tijdrovende animatievorm waarbij je poppetjes beeld voor beeld verplaatst. Art director Curt Enderle, in Amsterdam voor de conferentie Playgrounds, „was dolgelukkig” toen hij werd ingehuurd. „Al is de stop-motionwereld ook simpelweg heel klein. Er zijn per jaar hooguit twee of drie projecten gaande, je komt elkaar overal tegen.”

Enderle werkte voor de Amerikaanse studio Laika (Coraline, Boxtrolls), waarbij stop-motion nauwelijks te onderscheiden is van computeranimatie, CGI. Enderle: „Stop-motion is niet erg winstgevend, Laika kiest voor ‘clean and slick’ om de strijd met CGI aan te gaan. En dan zie je toch dat hun film Kubo and the Two Strings flopt, hoe fabelachtig mooi, geweldig verteld en diep emotioneel die ook is. En dat een fluim van een CGI-film als The Emoji Movie winst maakt. Het leven is zo oneerlijk. Daarom zijn we enorm opgetogen als Wes Anderson, met zijn trouwe fans, voor stop-motion kiest.”

Wes Anderson vermijdt het perfectionisme van Laika zonder in de cartooneske stijl van het Britse Aardman (Wallace & Gromit) te vervallen. Hij maakt de beperkingen van stop-motion tot stijlfiguur. Zo filmt Anderson geen ‘on ones’– 24 beelden per seconde – maar ‘on twos’: 12 beelden per seconde. Dat maakt bewegingen charmant schokkerig. Enderle: „Innovatie is niet het doel. Bij Isle of Dogs gebruikten we welbewust stokoude trucs. Sets met ‘geforceerd perspectief’, gebogen vlaktes om de horizon te verhogen, simpele silhouetten als achtergrondheuvels. Maar vergis je niet: geen pixel is toeval, alles is een bewuste keuze van Wes Anderson.”

Lees hier de recensie van ‘Isle of Dogs’

Isle of Dogs combineert die formele eenvoud met een verbluffende rijkdom aan visuele details – Anderson, bekend om zijn poppenhuizen, overtreft zichzelf. Enderle: „De schaal van dit project was de grootste uitdaging. We werkten in 3 Mills Studio in Londen met een crew van 670 man. Er zijn bijna duizend poppen gemaakt, elk in drie formaten. Ik werkte vooral met maquettebouwers. Bij mijn vorige film, Boxtrolls, ontwierpen we 70 of 80 sets met een groter team, hier hebben we 160 sets in 16 maanden gebouwd.

„Vooraf dacht ik: Isle of Dogs speelt zich af op een vuilniseiland. Wat blikken, flessen en proppen, hoe moeilijk is dat? Dat viel tegen. Het eiland heeft zones: een zwart gebied, een roestig gebied, een wit gebied vol papierproppen. Op al die papiertjes staat Japanse tekst. Dat zie je niet bewust, maar het versterkt de visuele textuur.”

De lastigste set was volgens Enderle een laboratorium. In de film zit een ‘tracking shot’ van vier ruimtes vol lampjes en bewegende onderdelen. „Iemand heeft daar drie, vier maanden aan gewerkt, maar dat shot is in zeven seconden voorbij. Een ander decor komt maar zeven frames in beeld, een halve seconde. Frustrerend voor de bouwers? Soms wel, denk ik. Anderzijds: ze houden van timmeren.”

Hommage of culturele toe-eigening?

Isle of Dogs refereert aan 19de-eeuwse Japanse blokprenten en aan Japanse monsterfilms van Ishiro Honda en Yasujiro Ozu, maar vooral aan Akira Kurosawa. Enderle: „Veel decors zijn ontleend aan modernistische grotestadsfilms van Kurosawa uit de jaren vijftig en zestig, zoals High and Low. Complete kamers zijn gekopieerd uit Japanse klassiekers. Oracle en Jupiter, de grote en kleine hond, zitten in een heel basale woonkamer met twee ramen, gordijnen en een televisie met vijf objecten. Die komen uit een Ozufim, de textuur van de muur ook. Japanse filmbuffs kunnen hun hart ophalen, Isle of Dogs zit boordevol ‘easter eggs’.”

Al kreeg Wes Anderson de wind van voren: Isle of Dogs zou niet zozeer een hommage zijn als ‘culturele toe-eigening’. Omdat Anderson speelt met toeristische clichés: sumoworstelaars, kersenbloesems, taikodrummers. En enkele riskante keuzes maakt. Zo spreken de honden met de stemmen van witte oude mannen als Bill Murray en Bryan Cranston, maar blijft het Japans vaak onvertaald omdat Anderson ondertitels haat. De emotie volstaat, vindt hij, maar zo wordt Japans gebrabbel. Extra munitie vindt het policore smaldeel in de Amerikaanse werkstudente Tracy Walker, die de passieve Japanners opzweept tot rebellie tegen de pro-kat, anti-hond-tirannie van Megasaki City. Een witte redder?

De kritiek slaat nauwelijks aan: daarvoor is Isle of Dogs te liefdevol. En waar was de kritiek toen Anderson stoeide met cultuurclichés uit Engeland (Fantastic Mr. Fox), Frankrijk (The Life Aquatic) en Midden-Europa (The Grand Budapest Hotel)? Enderle: „Toen we begonnen, hing dat toe-eigeningsdebat al zo’n beetje in de lucht, we hebben er veel over gepraat. Op het gevaar dat ik nu een ‘token Japanese’ opvoer: grafisch designer Chinami Narikawa was onze toetssteen, zij kon zeggen: dit is Japans, dit meer Chinees of Koreaans. En verder: het zou toch zonde zijn als Wes Anderson voortaan alleen nog maar films over Texas mag maken?”

    • Coen van Zwol