Met blote armen werken

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week arbeidsrecht.

Foto Koen Suyk/ANP

Een medewerkster van een ziekenhuis wil vanwege haar geloof niet met blote armen werken. Zij voelt zich gediscrimineerd door haar werkgever die het haar verplicht. De moslima stapte daarom naar het College voor de Rechten van de Mens om te oordelen of er sprake is van discriminatie op grond van godsdienst.

Het ziekenhuis verweert zich door te stellen dat personeel dat patiëntgebonden werkzaamheden verricht, in verband met het voorkomen van infecties en het overdragen van bacteriën en virussen, geen lange mouwen mag dragen. Die beleidsmaatregel geldt voor iedereen.

Volgens het College is er sprake van ‘indirecte discriminatie’ omdat de maatregel met name mensen treft die vanuit hun geloofsovertuiging hun armen willen bedekken. Maar indirecte discriminatie is niet verboden als „dit objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en passende en noodzakelijke middelen”. En volgens het College is dat in dit geval zo. Het ziekenhuis streeft infectiepreventie (doel) na door het opleggen van een kledingvoorschrift (korte mouwen), en die maatregel is zowel passend als noodzakelijk, oordeelt het College. Het belang van het ziekenhuis weegt volgens het College in dit geval zwaarder dan het persoonlijke belang. Er is geen sprake van discriminatie op grond van godsdienst door het ziekenhuis.

Oordeel: 2018-40