Recensie

Honden die je wilt aanraken. Zelfs als kattenliefhebber

Animatie Regisseur Wes Anderson laat er geen twijfel over bestaan waar hij staat in het honden/kattendebat. Spreek de titel ‘Isle of Dogs’ een paar keer snel achter elkaar uit, en je hoort ‘I love dogs’.

In ‘Isle of Dogs’ zit een roedel afgedankte honden een beetje met hun alfastatus in de knoop.

Isle of Dogs is een aaibare film. Ik kan me geen bioscoopervaring herinneren waarbij ik zo graag tijdens het kijken uit mijn stoel was opgestaan en naar het doek gelopen om even de vacht aan te raken van Chief, Rex, King, Nutmeg of een van de andere honden die de hoofdrollen spelen in Wes Andersons nieuwe animatiefilm. Wat een stap vooruit weer vergeleken met zijn vorige animatie Fantastic Mr. Fox (2009), naar Roald Dahl. Dat films zintuigelijke sensaties oproepen is bekend. We willen ervan dansen, zingen, het angstzweet uit onze handpalmen vegen. En Isle of Dogs wil je alleen maar aanraken. Zelfs als kattenliefhebber.

Regisseur Anderson laat er trouwens geen twijfel over bestaan waar hij staat in het honden/kattendebat. Spreek de titel maar eens een paar keer snel achter elkaar uit, en je hoort ‘I love dogs’. Bovendien zijn kattenliefhebbers de bad guys in het dystopische Japanse Megasaki City waar de tirannieke burgemeester Kobayashi de dienst uitmaakt en zelfs de hond van zijn adoptiezoontje Atari naar ‘Trash Island’ verbant. De plot is vervolgens gestructureerd rondom Atari’s zoektocht naar deze Spots, daarbij geholpen door een roedel afgedankte honden die allemaal een beetje met hun alfastatus in de knoop zitten.

Het is een tamelijk rechttoe-rechtaanverhaal. Maar daar houdt Anderson dan ook van. Zodat hij zijn karakteristieke doorkijkjes, diorama’s en symmetrische shots rondom de honden kan kaderen, een en al hommage aan de Japanse prent- en popcultuur. Aan sushi en sumo, kabukitheater en de films van Akira Kurosawa, animatiegrootheid Hayao Miyazaki en de schilderijen van Katsushika Hokusai. En zodat hij zijn zo mogelijk nog beroemdere wandelende silhouettenshots kan maken van Atari en de honden die hun expeditie over het afvaleiland ondernemen.

Op de achtergrond spelen dan nog allerlei subplotjes rondom genocide, vreemdelingenhaat en de farmaceutische industrie, die je met veel goede wil misschien politiek of geëngageerd zou kunnen noemen. Het is niet dat Wes Andersons films nergens over gaan. Maar de vorm staat altijd voorop. Natuurlijk ging zijn voorlaatste film The Grand Budapest Hotel (2014) ook over Europees fin-de-siècle en fascisme, maar dan wel in de gestileerde jongensboekenvariant die we van al zijn films kennen. En zo is ook de virtuoze Japanse fantasiewereld van Isle of Dogs uiteindelijk het toneel voor een verlegen verhaal over eenzaamheid en de behoefte aan toenadering, de rode draad van al zijn films.

Lees ook een interview met stop motion-veteraan Curt Enderle, die dolblij was met Wes Anderson aan ‘Isle of Dogs’ te kunnen werken

Sinds z’n wereldpremière als openingsfilm en Beste Regie-winnaar van het Filmfestival Berlijn afgelopen februari is er rondom Isle of Dogs ook veel discussie ontstaan. De film kreeg het verwijt aan culturele appropriatie te doen; ondanks Andersons verzekering dat hij juist de Japanse acteur en DJ Kunichi Nomura als co-auteur had gevraagd om de authenticiteit te borgen. Interessant is bijvoorbeeld de keuze om ‘het geblaf’ van de honden als Engels te laten klinken, veel Japans onvertaald te laten en alleen via tolken en computerprogramma’s om te zetten. Wat zegt dat over de manier waarop we verhalen en gevoelens, tradities en ideeën in beelden ‘vertalen’?

De film wordt alleen maar rijker als je tijdens het kijken ook deze kwesties scherp in het oog houdt. Het zijn vragen die heel goed samengaan met de tactiele lust die de beelden oproepen. Ook dat is immers een vorm van toe-eigening.

    • Dana Linssen