Wijt niet alles aan de babyboomer

Invloed van een generatie Economische vooroordelen tegen babyboomers zijn er genoeg. Maar ze kloppen lang niet allemaal.

In de jaren tachtig veerde Wall Street op, greed werd good en de term yuppie werd geïntroduceerd. Foto Michael Nagle / Bloomberg

Ze hielpen het land dat zij erfden niet opbouwen, waardeerden hun fortuin vervolgens niet en maakten daarna alles op zonder iets over te laten. Ziehier een Amerikaans stereotype van de babyboomer: een ‘generationele trust fund baby’. Naarmate de na-oorlogse geboortegeneratie ouder wordt, krijgt zij van steeds meer de schuld. Ook de huidige toestand van de economie, met zijn recordlage rentes en bijbehorende speculatiegolf op de financiële markten en de woningmarkt, wordt op het conto van de ‘boomers’ geschreven.

Maar toeschrijven is iets heel anders dan beschuldigen. De baby-boomgeneratie kenmerkt zich vooral door haar omvang. Al is die nogal afhankelijk van de definitie van wat een babyboomer nu precies is. Alle mensen die geboren zijn tussen 1945 en 1954, tussen 1945 en 1960, of 1945 en 1964? Er is geen consensus over.

Hoe dan ook: de invloed van deze generatie op de economie van alledag was, en is onbetwistbaar groot. Zij zijn nu eenmaal de omvangrijkste groep van consumenten. Maar er is meer. Door de decennia heen hebben de babyboomers de sfeer in de economie ook behoorlijk beïnvloed.

In de jaren zestig zorgde de nieuwe generatie voor een revolutie. En niet alleen op cultureel gebied. De Britse historicus Tony Judt (1948-2010) schetste de invloed op de economie in 2006 in zijn meesterwerk Na de Oorlog: een geschiedenis van Europa sinds 1945.

Lees ook: Nederland veranderde in de jaren zestig ingrijpend, zelfs ingrijpender dan Frankrijk. Maar de vraag is wie daarvoor verantwoordelijk was.

Voorheen leverden werkende kinderen die thuis woonden, hun loon aan het eind van de week vanzelfsprekend in bij hun ouders. Maar toen begin jaren zestig de welvaart en de lonen fors begonnen te stijgen, nam het inkomen van het gezin toe en mochten jongeren hun inkomsten steeds vaker zelf houden. Zo ontstond de allereerste generatie jongeren met eigen koopkracht, een nooit vertoond fenomeen. En met die koopkracht kwamen producten en diensten die op jongeren gericht waren, reclames speciaal voor hen, kleding die niemand stond behalve de jeugd.

Daarna brak er een tijdperk aan van antimaterialisme, en anti-ondernemerschap. In 1976 schreef een aantal industriëlen, onder wie Shell-topman Gerrit Wagner een brandbrief aan het toenmalige kabinet-Den Uyl waarin zij hun zorg uitspraken over het verslechterende ondernemingsklimaat. De effectenbeurzen leidden een zieltogend bestaan en zouden pas begin jaren tachtig beginnen aan hun adembenemende opmars. Ondernemen was niet populair: het bord voor de kop van de zakenman, om met Boudewijn de Groot te spreken in Jimmy (1973).

Maar dat alles veranderde sterk in de jaren tachtig. Wall Street veerde op, de AEX-index (1982) werd in het leven geroepen. Het eerste gebruik van de term ‘Yuppie’ (young urban professional) is getraceerd tot 1980. Greed werd good in de filmhit Wall Street. De jaren negentig volgden, met in het kielzog van het instorten van het communisme, een kapitalisme dat in de overdrive ging. Privatiseringen en liberaliseringen bevrijdden de economie van de teugels die hem kennelijk zo lang hadden bekneld. Effectenbeurzen bereikten hun hoogtepunt in de internetzeepbel, die in 2000 uiteenspatte.

Sindsdien lijkt de westerse economie vooral op schulden te groeien. De eerste golf, tot de financiële crisis van 2008, en de tweede golf waar we nu middenin zitten. Maar er zijn geen schulden zonder crediteuren. Er is een golf van spaargeld mede-verantwoordelijk voor het feit dat de rentes op dit moment zo ongekend laag zijn en de kredieten zo groot. Dat ligt niet alleen aan de toetreding van China, met zijn spaaroverschot, tot de wereldmarkt. En ook niet enkel aan de centrale banken met hun ruime monetaire politiek. Er is ook een flinke generatie aan het sparen geslagen voor de oude dag: de baby-boomers. En zoals eerder, geeft dit gedrag de toon aan voor een flink deel van de economie.

Het is verleidelijk om naast deze korte geschiedenis de levensloop van een typische babyboomer te leggen. Neem een typische boomer die geboren is in 1950. Achttien en rebels in 1968, de studie en eerste langer durende relaties in de jaren zeventig. Een nadruk op de eigen carrière in de jaren tachtig, op consolidatie van de positie en op huiseigendom in de jaren negentig. En gerichtheid op bezitsvorming en spaargedrag in de jaren nul, tot nu aan toe.

Hoe heeft de ’68-generatie zijn idealen doorgegeven aan de volgende generatie? NRC is benieuwd naar uw ervaringen. Doe mee met het lezersonderzoek via nrc.nl/lezerspeiling.

De economie loopt daar ogenschijnlijk grotendeels mee op. Vrij spelen tot 1980, hevig carrière maken in de Reagan-jaren. De economie bevrijden in de jaren negentig als je zelf al stevig in het zadel zit. En sindsdien sparen of je leven ervan afhangt.

Het geeft veel andere generaties reden om op de boomers af te geven. Ouderen waren te vroeg om van al die welvaart mee te genieten. Jongeren hebben juist het gevoel alsof zij alles mislopen waar de naoorlogse generatie van genoot. Dat geldt ook voor deze auteur die, geboren in 1960, het gevoel had overal nét te laat achteraan te hobbelen, tot nader onderzoek daar de betrekkelijkheid van aantoonde.

Wie in 1995 een huis kocht, heeft dat inmiddels driemaal over de kop zien gaan. Sterker nog: als inflatie niet wordt meegeteld, betekent élke aanschaf van een woning vóór eind 2007 winst. Maar wat gedacht van de jonge dertiger die in 1978 zijn eerste woning aanschafte? Die kostte toen omgerekend bijna 86.000 euro, en kelderde vervolgens in vier jaar met eenderde naar 56.000 euro. Daarbij vergeleken is de daling met eenvijfde na 2008 nog mild.

Vroeg stoppen met werken, door de VUT of goudgerande bedrijfsregelingen, was eerder een zaak van de laatste generatie vóór de babyboomers. Die genieten over het algemeen wel weer van de extra vrije dagen voor oudere werknemers, die nu in hoog tempo worden afgeschaft. Het beruchte AOW-gat van nu, waardoor met pensionering zich een tijdelijke financiële kloof heeft geopend, is er voor veel boomers weer wél.

Het spaargedrag van de boomers is niet alleen voor zichzelf, maar ook om de nakomelingen te laten erven. Dat geldt ook voor de inmiddels weer sterk gestegen waarde van de woning, waar je hun kinderen dan weer niet over hoort. Maar die hebben het weer moeilijk met de ontmantelde bescherming van werknemers en het oprukkende flexwerk. En die onzekerheid, het vermoeden dat volgende generaties het niet langer beter krijgen, is weer een belangrijke reden om iets na te willen laten.

Is hier sowieso sprake van schuld?

Een laatste dan: gelijkheid van man en vrouw. Die is er voor de babyboomers in theorie wel steeds meer geweest, maar in de praktijk lange tijd zeker niet – tot op de dag van vandaag.

Elke generatie heeft mazzel, en heeft pech. Elke generatie heeft last van periodes van zelfoverschatting en van zelfmedelijden. Elke generatie generaliseert andere generaties. Maar is hier sowieso sprake van schuld? Als puur bevolkingsgewicht de oorzaak is van de babyboom backlash, dan kan een individu van deze generatie daar moeilijk op worden aangesproken. Alsof de woede over de drukte zich zou richten op een enkele toerist in het centrum van Amsterdam, Barcelona of Venetië. Een individu kan moeilijk worden aangesproken op de eigenschappen van een gehele bevolkingsgroep of generatie.

Leeftijdsdiscriminatie is wat dat betreft bijzonder. Een immigrant zul je in eigen land nooit worden, noch zul je vanzelf een andere huidskleur krijgen, of als volwassene plots twintig centimeter krimpen. Bij discriminatie van ouderen dan jijzelf is dat anders: het is de enige vorm waarbij je eens, onontkoombaar, zult veranderen in diegene die je nu laakt.

Mei 1968 Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? Hoe vormden zij de kunst en cultuur? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968. Lees de verhalen via nrc.nl/1968.

Correctie (11 mei 2015): In een eerdere versie van dit artikel stond dat de frase „het bord voor de kop van de zakenman” van Boudewijn de Groot uit De eenzame fietser afkomstig was. Dat moet het nummer Jimmy zijn, en is aangepast.

    • Maarten Schinkel