opinie

Synthetische embryo’s stellen de wet op de proef

Het is verboden menselijke embryo’s langer te kweken dan veertien dagen. Geldt dat ook voor iets dat alleen maar op een embryo lijkt, vragen ethici Annelien Bredenoord, Wybo Dondorp en Guido de Wert zich af.

Illustratie Hajo

Het was groot nieuws dat wetenschappers uit Maastricht en Utrecht er in zijn geslaagd zijn om uit verschillende soorten stamcellen van muizen ‘embryo-achtige structuren’ te kweken die zich in een muizenbaarmoeder lijken te kunnen innestelen. Maar hoe dat nieuws precies moet worden geduid, is niet meteen duidelijk.

Deels komt dat omdat er nog veel onzekerheid is over de feiten, zoals vaker bij een wetenschappelijke doorbraak. Zo is nog onbekend of die ‘structuren’ zich na implantatie in de baarmoeder verder kunnen ontwikkelen. Ook is nog onbekend of het mogelijk wordt om wat nu met muizenstamcellen gelukt is ook met menselijk materiaal te doen. Dat vraagt immers om menselijke placenta-stamcellen, die nog niet beschikbaar zijn.

Op zichzelf is het overigens juist goed dat er nog zoveel vragen open zijn; ethiek en maatschappij kunnen zo in een vroeg stadium medevormgever worden van deze nieuwe ontwikkeling.

Hier komt er echter nog iets bij. Stel eens dat het ook met menselijke stamcellen lukt om zulke ‘embryo-achtige structuren’ te maken. Hoe meer die op menselijke embryo’s lijken, hoe bruikbaarder ze zijn als model voor wetenschappelijk onderzoek naar de vroege menselijke ontwikkeling, bijvoorbeeld naar oorzaken van problemen bij de implantatie of verlies van de zwangerschap in een vroeg stadium. Zulk onderzoek kan met menselijke embryo’s niet worden gedaan, omdat die niet langer dan veertien dagen in het laboratorium mogen worden doorgekweekt.

Schijngestalte

Met iets wat alleen maar op een embryo lijkt, mag dat wel. Althans: zolang we zeker weten dat het inderdaad om een schijngestalte gaat en niet om een echt menselijk embryo – ook al zou het ‘synthetisch’ zijn, want opgekweekt uit stamcellen en niet uit een bevruchte eicel.

Lees ook: Embryo’s kunnen nu worden gemaakt van stamcellen

Maar de vraag is hoe we dat kunnen weten. In de embryowet wordt een menselijk embryo gedefinieerd als „cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens”. Als het op wetenschappelijke gronden vaststaat dat de ‘embryo-achtige structuren’ in kwestie dat vermogen niet hebben, zijn het juridisch gesproken geen embryo’s, maar wat als het ontwikkelingspotentieel onzeker is?

De proef op de som nemen is ethisch problematisch. Maar zolang dat het geval is, valt de vraag of we wel of niet met menselijke embryo’s in de zin van de embryowet te maken hebben, niet te beantwoorden. En hoe moet je dan het in ons land voor embryo-onderzoek gehanteerde ethische en juridische kader toepassen?

Overigens worden in andere landen andere wettelijke definities gehanteerd, met als gevolg dat ‘structuren’ die volgens de Nederlandse of Belgische wet mogelijk geen embryo’s zijn, dat zeker wel zijn volgens de definitie in bijvoorbeeld Australië. Tot nu toe was dat niet echt een probleem, maar met de mogelijke ontwikkeling van synthetische embryo’s rijst de vraag welke van die structuren we precies willen beschermen en waarom.

Stel dat het hier om (synthetische) menselijke embryo’s gaat, wil dat dan zeggen dat de tot nu toe voor embryo-onderzoek gehanteerde regels daarop onverkort van toepassing zijn? Om te beginnen zou dat voor ons land betekenen dat onderzoekers aanlopen tegen het verbod op het doen ontstaan van menselijke embryo’s voor onderzoek. Dat zou dan zeker leiden tot een nieuw hoofdstuk in de al jaren slepende discussie over wenselijkheid van opheffing van dat verbod.

Veertiendagengrens

Internationaal is intussen de discussie losgebarsten over de genoemde veertiendagengrens. Hoewel die regel wereldwijd in wetgeving is opgenomen, is de consensus daarover vooral pragmatisch: over de precieze redenen om juist bij een ontwikkelingsduur van veertien dagen een grens te trekken bestaat veel minder overeenstemming.

Omdat het tot voor kort sowieso niet mogelijk was menselijke embryo’s in vitro langer dan een kleine week in leven te houden, was er geen wetenschapper die behoefte had om die grens ter discussie te stellen. Dat is met de huidige ontwikkelingen anders geworden. Als met onderzoek in de periode tussen 14 en 28 dagen (nu een ‘black box’ in de kennis) belangrijke inzichten kunnen worden verkregen over de vroege menselijke ontwikkeling, zal dat pragmatische argument steeds meer onder druk komen te staan.

Inhoudelijke argumenten voor het trekken van een latere grens, zoals in het verleden door sommige ethici is verdedigd (bijvoorbeeld bij zes weken omdat eerder nog niet van hersenactiviteit sprake kan zijn), zullen nader moeten worden verkend en op hun houdbaarheid getoetst.

Interessante speculatie

Overigens is niet gezegd dat de ontwikkeling van een synthetisch embryo in het laboratorium en die van een menselijk embryo in de baarmoeder synchroon zullen verlopen. Dat betekent dat bij het zoeken naar een eventuele nieuwe grens, het precieze tijdsframe minder belangrijk is dan de vraag welke ‘emergent features’ van het embryo ethische relevantie moeten krijgen.

Kortom, hoe interessant het ook is om te speculeren over de vraag of synthetische embryo’s straks ook voor voortplanting gebruikt kunnen worden – of dat dan wel of niet neer zou komen op een vorm van kloneren, en of zulk reproductief gebruik gecombineerd kan en mag worden met de nieuwe genetische knip- en plaktechnieken (CRISPR/Cas9) – de meest urgente ethische vragen betreffen de toepassing in de context van wetenschappelijk onderzoek.

Het is daarom goed dat in samenwerking met de onderzoekers die deze technologie hebben ontwikkeld, in Maastricht en Utrecht al per direct een door ZonMw gefinancierd en door ons begeleid ethiekproject van start gaat dat zich op deze vragen zal richten.