Ondergelopen straten in .

Foto Sayyid Abdul Azim/AP

‘Rijke landen zullen hun schuld officieel nooit erkennen’

Pieter Pauw over klimaatfinanciering

Rijke landen hebben beloofd om vanaf 2020 jaarlijks 100 miljard dollar te betalen voor klimaatbeleid in arme landen. Maar gaat dat wel lukken?

Wat eenmaal een klimaatakkoord binnensluipt, krijg je er nooit meer uit. Die opvallende les trekt Pieter Pauw in zijn proefschrift over de financiering van het internationale klimaatbeleid. Pauw, die werkt bij het Duitse Instituut voor Ontwikkelingspolitiek in Bonn, heeft onderzoek gedaan naar de 100 miljard dollar (84 miljard euro) die vanaf 2020 beschikbaar moet zijn voor de strijd tegen klimaatverandering. „Dat bedrag is sinds het akkoord van Kopenhagen in 2009 in beton gegoten”, zegt hij, een paar weken na zijn promotie aan de Universiteit Utrecht. „Sommige onderhandelaars hebben daar nu spijt van. Ineens waren er geen vage intenties en streefgetallen meer. En daardoor zit nu iedereen te rekenen.”

In Bonn wordt deze week onderhandeld over de uitwerking van het internationale klimaatakkoord dat in 2015 in Parijs werd gesloten, ter voorbereiding van de grote klimaattop eind dit jaar in Polen. Naast het bestrijden van de opwarming zelf en de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering, is financiering van het klimaatbeleid een van de grote thema’s.

Pauw vindt het logisch dat er wordt betaald. „Geïndustrialiseerde landen beseffen dat zij klimaatverandering hebben veroorzaakt, ook al erkennen ze die aansprakelijkheid officieel niet. Ontwikkelingslanden proberen de schuldvraag steeds weer op tafel te leggen. Maar rijke landen zullen nooit zeggen: ‘die overstroming in het eilandstaatje Tuvalu komt door de zeespiegelstijging die wij met onze kolen, olie en gas hebben veroorzaakt. Het is onze schuld, dus wij gaan dat betalen’.”

Smeermiddel

„Geld is een smeermiddel in de moeizame onderhandelingen. Zeker na de mislukte top in Kopenhagen. Wereldleiders hadden toen hooggespannen verwachtingen gecreëerd. Klimaatverandering vormde een acute bedreiging van de planeet, onmiddellijke actie was vereist. Er kwam alleen niets uit. En dus zei men na afloop: ‘maar die 100 miljard ligt vanaf 2020 tenminste op tafel’.”

Sindsdien wordt vooral gesteggeld over de vraag wat nou precies klimaatgeld is. „Boeren in Ethiopië worden in de strijd tegen toenemende droogte misschien al jaren geholpen met betere zaden en efficiëntere irrigatietechnieken. Maar nu wordt er ineens gediscussieerd over de vraag of dit klimaatgeld is. Nee, zeggen de arme landen, want het project bestond al lang. Maar wat maakt dat uit? De echte vraag is of Ethiopië zich hiermee voldoende aanpast aan klimaatverandering.”

Ander voorbeeld. „In Colombia heeft een ontwikkelingsbank voor 200.000 dollar onderzocht of de haven van Cartagena klimaatbestendig is. ‘Nee’, luidde de conclusie, maar met de juiste maatregelen zou het goed komen. De haven heeft daarvoor 30 miljoen euro geleend bij een commerciële bank. Telt dan die 200.000 of de 30 miljoen als klimaatgeld?”

Volgens de OESO, de organisatie van geïndustrialiseerde landen, was er in 2015 al 62 miljard beschikbaar voor klimaatfinanciering en groeit het bedrag gestaag. „De OESO overdrijft”, zegt Pauw. „Tegenwoordig wordt ieder project dat over water gaat gemakshalve meegeteld als klimaatfinanciering. Want water heeft nou eenmaal met klimaat te maken. Arme landen vertrouwen de cijfers niet. India maakte in 2015 een eigen berekening en kwam niet verder dan 2,2 miljard dollar. Dat is natuurlijk net zo goed overdreven. De waarheid ligt ergens in het midden.”

Sigaar uit eigen doos

Oxfam Novib concludeert in een vorige week verschenen rapport dat de meeste hulp wordt gegeven als een lening. Ontwikkelingslanden vrezen dat ze een sigaar uit eigen doos krijgen. Pauw: „Landen hebben afgesproken dat klimaatfinanciering ‘nieuw en additioneel’ moet zijn. Ontwikkelingshulp die toch al gegeven zou worden, telt officieel niet mee. Al in 1970 is in de VN afgesproken dat rijke landen 0,7 procent van hun bruto binnenlands product besteden aan ontwikkelingshulp. Maar niemand houdt zich daaraan. Als nu een land zijn ontwikkelingshulp opschroeft van 0,4 naar 0,5 procent van de begroting om daarmee klimaatbeleid te betalen, is dat dan nieuw geld? Onder Rutte II ging klimaatfinanciering naar ontwikkelingssamenwerking, tegelijkertijd werd de begroting verlaagd. Dat vond ik schokkend.”

Sinds het akkoord van Parijs wordt ook van het bedrijfsleven een bijdrage gevraagd. In de onderhandelingen zelf schuiven bedrijven vaker aan. Ontwikkelingslanden als Ecuador en Oeganda hebben deze week in Bonn hun argwaan daarover geuit. Zijn degenen die het probleem hebben veroorzaakt, te vertrouwen bij het vinden van een oplossing?

De meeste scenario’s om de opwarming van de aarde onder de anderhalve graad te houden gaan uit van massale opslag van broeikasgassen. Wat zijn de mogelijkheden als je dat niet wilt?

„Je kunt bedrijven moeilijk ter verantwoording roepen voor afspraken tussen landen”, zegt Pauw. „De Verenigde Staten eisten in Parijs dat private financiering specifiek werd genoemd – anders dreigden ze het akkoord niet te ondertekenen. Maar je kunt bedrijven niet verplichten om bijvoorbeeld geld te investeren in de allerarmste landen. Die lopen nu het risico de dupe te worden van deze beslissing, want daar valt niet zo veel te verdienen.”

Wilden de Amerikanen, gesteund door Europa, op deze manier bedrijven echt een actieve rol geven, vraagt Pauw zich af. Of was het eerder een rookgordijn, een manier om dat harde bedrag van 100 miljard weer vloeibaar te maken en zijn de ontwikkelingslanden er ingetuind?

De ruzie over de hoogte van de klimaatfinanciering lijkt een achterhoedegevecht. Deskundigen betwijfelen of 100 miljard genoeg is. „Hoe recenter het onderzoek , hoe hoger de kosten worden ingeschat”, zegt Pauw. „De laatste studie van UNEP, de milieuorganisatie van de Verenigde Naties, gaat uit van ongeveer 300 miljard dollar per jaar in ontwikkelingslanden rond 2030. Daarna wordt het alleen maar meer.”

    • Paul Luttikhuis