Hoe een keizer het christendom maakte

Jona Lendering Historicus

De keizer die geprezen werd om een heidens visioen, koos daarna voor Jezus Christus. Jona Lendering zocht uit hoe dat kon.

Jona Lendering: „Tot in de vijfde eeuw waren er christenen die heidense godsdiensten niet per se afwezen.” Foto Frank Ruiter

Er is een hardnekkige historische legende over waarom het christendom de dominante godsdienst van het Romeinse Rijk werd. Het verhaal is dat de keizer Constantijn in 312 tijdens een burgeroorlog oprukt tegen zijn rivaal Maxentius. Aan de vooravond van de beslissende Slag bij de Milvische Brug, even buiten Rome, zou Constantijn bij klaarlichte dag een kruis van licht hebben gezien. Daarop gaf hij zijn mannen opdracht dat teken aan te brengen op hun schilden en zo versloegen zij Maxentius. Zo zou de opmars van het christendom zijn begonnen.

Jona Lendering, historicus en journalist, schreef er samen met classicus Vincent Hunink een boek over. Zelf noemt Lendering het ‘een boekje over een oudheidkundige puzzel’. Toch heeft ‘Het visioen van Constantijn’ een zwaarwichtige ondertitel meegekregen: ‘Een gebeurtenis die de wereld veranderde’.

Voor beide kwalificaties, puzzel en wereldveranderende gebeurtenis, is iets te zeggen. In het boek draait het om een door Hunink fraai vertaalde lofrede die twee jaar éérder, in 310, voor Constantijn, was afgestoken in diens geliefde Trier. Aanleiding voor deze speech was dat Constantijns keizerschap zijn vijfde jaar inging. De redenaar vertelde toen dat de keizer, op weg naar de Rijn om Frankische invallers te stuiten, een visioen had gehad waarin de goden Apollo en Victoria hem kransen aanreikten. Lendering schreef het boek om te laten zien hoe oudheidkundigen omgaan met dit intrigerend raadsel. Want hoe kon een heidens visioen van de eerste christelijke Romeinse keizer, Constantijn, uit 310 na Christus, nog tijdens zijn leven veranderen in de legende dat hij een lichtend kruis zag? Tegelijk zou volgens diezelfde legende dát visioen een beslissend moment zijn geweest in de kerstening van het Romeinse Rijk.

Lendering en Hunink laten zien hoe het heidense visioen zou kunnen zijn veranderd in de christelijke legende. Een mogelijke verklaring is dat Constantijn een halo om de zon heeft gezien. Ze leggen ook uit waarom een andere verklaring, dat het een droom is geweest, onwaarschijnlijk is.

„Oudheidkundigen hebben vaak te weinig informatie,” vertelt Lendering na de boekpresentatie. „Ze moeten dus regelmatig speculeren. Het is aannemelijk dat de toespraak uit 310 de allereerste vermelding is van het visioen. Toch is het wel degelijk denkbaar dat Constantijn in 312 opnieuw heeft gerept van een dergelijke ervaring. Je zou de christelijke legende kunnen redden door aan te nemen dat hij gewoon meerdere visioenen heeft gehad.”

Jullie gaan in het boek ook in op de kerstening van het Romeinse Rijk. Keizer Aurelianus promootte in de derde eeuw al de onoverwinnelijke zon, Sol Invictus. Was dit ontluikend monotheïsme?

Lendering: „De zonnecultus is gewoon een cultus onder de culten, het blijft polytheïstisch. Wel wordt in de derde eeuw de zon belangrijker. In het ‘heidense’ denken gaan de goden af en toe door een gat in het dak de schepping uit – het universum is een bol – en aanschouwen dan de eeuwige ideeën. De zon is als hemellichaam middelaar tussen die twee werelden, het onstoffelijke en de materie. En dat is precies wat ook van Christus wordt gezegd: hij is het woord van God dat mens is geworden en zo in de materie is opgenomen. Voor Constantijn was het heel makkelijk om die stap te zetten.”

Heeft Constantijn de zonnegod ingeruild voor de god van de christenen?

„Ja, of hij transformeerde de zonnegod in het Licht der Wereld, zo kun je het ook lezen. Het blijft heerlijk dubbelzinnig, ook omdat we zo weinig bronnen hebben. Als Constantijn nou in 312 zelf zijn credo had opgeschreven, was het probleem opgelost.”

Bij christelijke verhalen uit de late oudheid lezen we vaak dat bekeringen acuut waren, een bliksemschicht van plotseling inzicht. Ging het in werkelijkheid niet veel geleidelijker?

„Waarschijnlijk wel. Wat er feitelijk met iemand gebeurt, is iets anders dan hoe hij daar zelf verslag van doet. Vermoedelijk zijn bekeringen een redelijk rustig proces. Misschien is het menselijk om ze te verdichten tot één moment. Paulus op weg naar Damascus, die als een epilepticus van zijn paard af dondert, dát is het standaardmodel geworden voor de laat-antieke bekering.”

Ging Constantijn zich ook actief met de kerk bemoeien omdat keizers vanouds nu eenmaal het laatste woord hadden in religieuze aangelegenheden?

„Het lijkt erop. Er waren in Carthago ruziënde bisschoppen die de keizer vroegen om een oordeel. Na tussenkomst van Constantijn liep dit uit op de synode van Arles. Die bisschoppen wendden zich tot de keizer, dat zouden aanhangers van andere culten ook hebben gedaan. De keizer stond aan het hoofd van de staat en als zodanig was had hij in godsdienstzaken het laatste woord.

„Daar kwam nog bij dat rond 312 door Constantijn en zijn toenmalige bondgenoot Licinius besloten is dat de staat geld zou gaan betalen aan christenen om eerdere vervolgingen te compenseren. Vanaf dat moment weet je dat welke keizer dan ook, christelijk of niet, visioen of niet, meer regelgeving zal uitvaardigen ten gunste van de christenen.”

Toch legt de ondertitel van jullie boek een verband tussen het visioen van Constantijn en de kerstening van het Romeinse Rijk.

„Ja, maar geen enkele oudheidkundige zal zeggen dat dit allemaal door dat visioen komt. Constantijn heeft in de gaten gehad dat een goed georganiseerd christendom nuttig kon zijn om het staatsapparaat te versterken. Maar hij heeft ook een wending gegeven aan het denken over religie. In het antieke leven kies je je goden. Sommigen kiezen Christus, anderen niet. Daar wordt niet moeilijk over gedaan en een niet-exclusief christendom is tot in de vijfde eeuw blijven bestaan. Constantijn doet iets anders. Hij gaat in zee met een groep christenen die zegt dat als je eenmaal voor Christus kiest je al de andere godsdiensten afsluit.

„Daarnaast legt hij er de nadruk op dat alle christenen precies hetzelfde moeten geloven en hij vindt het staatsaangelegenheid dat de kerk één credo heeft. Daar zijn hele geloofsbelijdenissen uit voortgekomen. Constantijn zet de wissel om naar orthodoxie. Het was Realpolitik: het christendom zou vroeg of laat toch wel een prominente plaats hebben gekregen in het rijk. Maar Constantijn zette er een eigen stempel op, uit persoonlijke overtuiging. En dat stond zeker niet in de sterren geschreven, daarin zit het wereldhistorische.”