Elf jaar, vijf maanden en twaalf dagen

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over een Romeinse jongen die niet oud werd maar nog steeds helder klinkt.

‘Ik, Maximus, een jongen van twaalf jaar, ging naar de Hades na een wedstrijd. Ziekte en uitputting hebben me geveld, omdat ik dag noch nacht mijn hart afwendde van de Muzen.”

Ik ben op een dag vol academische lezingen en heb na de lunch moeite mijn aandacht erbij te houden. Maar deze graftekst, uitgesproken door Kathleen Coleman, een sprankelende hoogleraar oude geschiedenis, doet me wakker schrikken. Over een kloof van twee millennia spreekt opeens een overleden kind tot mij.

De ouders lieten dit monument voor hun zoon maken in 94 na Christus. Het stond bij de Porta Salaria in Rome en werd in 1871 bij toeval na een beschieting ontdekt. De wedstrijd die zoveel van hem vergde, was een literaire. Ten overstaan van zevenduizend mensen, onder wie keizer Domitianus, componeerde dit Romeinse jongetje een gedicht, improviserend, en nog wel in het Grieks. Meer dan vijftig anderen deden ook mee. Hij was de jongste en kreeg een eervolle vermelding. Een antieke variant van The Voice.

Zijn gedicht, in hexameters, staat in zijn geheel gegraveerd op de grafsteen. Het gaat over de goden op de Olympus – Zeus, Rhea, Demeter – en hun snode plannen. Coleman noemt hem een wonderkind. Stel je voor, de druk met zo’n groot publiek. En de keizer zelf! Om zijn prestaties te kunnen begrijpen, is ze in de leer gegaan bij jazzmuzikanten. Ook zij oefenen passages, overgangen en frasen waaruit ze tijdens hun uitvoering putten.

Coleman is zelf ook een uitstekend redenaar. Ze spreekt uit het hoofd en zonder aantekeningen. Deze jongen van tweeduizend jaar geleden is voor haar niet alleen een studieobject. Ze weet hem tot leven te wekken, alsof ze hem persoonlijk kent. En door haar bevlogenheid leer ik hem ook kennen. Zijn ouders waren vrijgelaten slaven. Al hun hoop en verwachting rustten op zijn smalle schouders.

Ik denk aan de tekst over hun zoon, pijnlijk in zijn feitelijkheid „Quintus Sulpicius Maximus leefde 11 jaar, 5 maanden en 12 dagen.” Iedere dag was er een.

Dat is het belang van geschiedenis, vertelt Coleman ons. Als we empathie kunnen voelen voor deze jongen, kind uit een ver verleden, dan kunnen we het ook voor de mensen van nu. Voor vluchtelingen, immigranten zonder papieren, hongerige kinderen. Voor de naaste buren die soms verre vreemden zijn.

Ze durft er voor een volle zaal op te wijzen dat de huidige Amerikaanse regering geen belang hecht aan de geschiedenis. Alles draait om het nu en het ‘ik, ik, ik’, niet om het toen en de ander. Hoe kun je een toekomst hebben zonder een heden met besef van het verleden?

Ik kijk naar een foto van de schrijn. Daar staat hij in marmer. Zijn gezicht is door de tijd afgesleten, maar zijn gedicht is gebleven. Hij lijkt ons zijn papyrusrol, symbool van literaire talent, aan te reiken. „Machtiger dan goud en glimmend zilver, zijn de woorden die je achterlaat”, lieten zijn verdrietige ouders in steen uithakken. Die woorden klinken nog steeds.

Ik hoor je, Quintus Sulpicius Maximus. Luid en duidelijk, door de millennia heen.

Reacties naar pdejong@ias.edu