Recensie

Alles rammelt en kraakt bij Black Lips (en dat is heerlijk)

Rock Ramones-punk, Doo-wop, Everly Brothers en saloonstampers: alles perst Black Lips door dezelfde gruizige gehaktmolen. Dat resulteert in een geweldige bende.

Foto Black Lips

Voordat hij kan aftikken, moet drummer Oakley Munson nog één ding doen. Hij bukt voorover, grijpt iets van tussen zijn trommels en… ZOEF! Daar vliegt een wc-rol de zaal in. 1-2-3-4! Black Lips zijn vertrokken. Zo kan het dus ook: als band het publiek bekogelen in plaats van andersom.

Het vijftal uit Atlanta maakt zwetende garagerock en geldt als een van de voortrekkers in het genre dat het laatste decennium steeds meer bovengronds komt gekropen. Het vorig jaar verschenen achtste album, Satan’s Graffiti or God’s Art? werd zowaar geproduceerd door Sean Lennon, die ook zijn moeder Yoko Ono nog een paar regels liet meeblèren.

De sciencefiction-spaghettiwestern-hoes verklapt de diversiteit aan stijlen die Black Lips tot pulp weet te vermalen. Van The Sonics-klassiekers, Ramones-punk, Doo-wop, Everly Brothers tot countrysmartlappen en saloonstampers: alles persen ze door dezelfde gruizige gehaktmolen.

Dat resulteert in een geweldige bende. Binnen de kortste keren verandert de Utrechtse Ekko in een broeierige nachtclub waar witte slingers vanaf het plafond naar beneden hangen. Zanger-bassist Jared Swilley poetst er hijgend zijn krullende pornosnor mee droog, haalt nog snel een zakkammetje door zijn van brillantine druipende vetkuif, legt het kippekontje op zijn achterhoofd in model en … 1-2-3-4! We kunnen weer!

Is het geluid soms niet helemaal jofel? Sorry, de roadie heeft het te druk met nieuwe salvo’s pleepapier afvuren. Toetert Zumi Rosow soms een valse noot uit haar saxofoon? Zij weet wel sierlijk dansend witte Black Lips-ballonnen de zaal in te meppen. Is de solo van Cole Alexander volgens de gitaarpolitie niet helemaal toon- en ritmevast? Hij speelt hem wel liggend op zijn rug, ondertussen luchtfietsend.

Alles rammelt, kraakt en stuitert bij Black Lips en dat is alleen maar heerlijk. Na twintig nummers verkeert Ekko in dusdanige hemelse sferen dat Swilley, strooiend met handkusjes en zichtbaar aangedaan, afscheid neemt door in de microfoon te stamelen: „Merry Christmas.”

    • Frank Provoost