‘Ik kreeg een onderkin en een snor’

Grunberg in het Stedelijk #5

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

Beeldbewerking NRC

Op vrijdagavond 4 mei werd door Blendin en de afdeling development van het Stedelijk een diner georganiseerd waarvoor ook de veelal uit Syrië afkomstige kunstenaars en ik waren uitgenodigd. Blendin is opgericht door Julius Weise en probeert nieuwkomers en ‘locals’ dichter bij elkaar te brengen. Dat is natuurlijk tevens een taak van het museum, hoewel je je kunt afvragen of mensen wel met elkaar moeten worden verbonden. Is het kluizenaarschap immoreel geworden?

Margriet, van het Stedelijk, die medeverantwoordelijk is voor dit project en die als het misgaat, zo vermoed ik, erop zal worden aangesproken, legde uit waarom we dit allemaal waren begonnen. Daarna refereerde ik aan de genocide van de vorige eeuw; je moet ook gebeurtenissen met elkaar verbinden, zonder dat dat meteen betekent dat een genocide gelijk wordt gesteld aan een slachtpartij.

Er was aspergesoep. Schuin tegenover me zat de literair criticus Carel Peeters, een icoon uit de twintigste eeuw, althans voor literair Nederland. Hier leek hij verdwaald, en misschien was het daarom dat hij mij verheugd begroette. Ik kende ook weinig mensen, de begeestering was wederzijds. Hij zei: „Mijn zoon heeft dit mede georganiseerd.”

Er was een Russische vrouw die mededeelde: „Ik wil ook graag meedoen aan jullie project, ik ben kunstenares.” Tijdens het diner begon ze tekeningen van ons te maken – ik kreeg een onderkin en een snor – ze deelde de tekeningen uit met de woorden: „Ik zit op Instagram.”

Margriet legde uit dat het al vol was in de Audi-zaal. Ik vroeg me af of we deze Russische kunstenares niet welkom hadden moeten heten? Of is de een verwelkomen de ander uitsluiten, omdat iedereen verwelkomen nu eenmaal onmogelijk is.

De volgende middag kwam in het museum een meneer op me af. Zijn spijkerbroek zakte een beetje af. Hij zei: „Ik ben Frans, docent en kunstenaar, ik heb ook in het Stedelijk gehangen.”

„O ja?” vroeg ik.

„Toen ik werd aangenomen op de Rietveld heb ik mijn werk in de garderobe achtergelaten.”

Ik had al gehoord dat kunstenaars, zoals iemand in het Stedelijk zei: ‘kunstenaars, whatever that may be’, hun eigen werk proberen achter te laten of op te hangen in het museum.

Frans zei: „Jij zit hier met Syrische kunstenaars, maar is er ook plaats voor vluchtelingen uit Noord-Brabant?”

Die vluchtelingenproblematiek was me ontgaan.

Ik antwoordde: „Ik zal met het Stedelijk overleggen of we een plekje hebben voor vluchtelingen van beneden de grote rivieren.”

(Wordt vervolgd.)