Help, de agitatoren uit Parijs komen!

Kabinet-De Jong in mei ’68 Het Nederlandse kabinet had in 1968 begrip voor de grieven van de studenten in Parijs. Als hun leiders maar niet naar Amsterdam kwamen, vonden enkele ministers.

22 mei 1968 Amsterdam De Franse studentenleider Daniel Cohn-Bendit spreekt in het toenmalige Capitol-theater in Amsterdam. Hij begon zijn rede met: „Leve de strijd van de arbeiders en intellectuelen in Frankrijk en in heel Europa.” Foto ANP

De Nederlandse regering wachtte niet tot 1968. Er hing verandering in de lucht. En de nationale politiek had deze geroken, zo niet al eerder gevoeld. De roerige en lange Amsterdamse zomer van 1966 was al ruim een jaar voorbij toen koningin Juliana op 19 september 1967 de eerste, opmerkelijk progressief getoonzette Troonrede van het enkele maanden daarvoor aangetreden centrum-rechtse kabinet-De Jong voorlas.

De koningin had het over een „drang naar vernieuwing” en „een groeiende behoefte bij ons volk om mee te denken over de toekomst van ons land”. Dat gold in het bijzonder voor de jonge generatie. Vandaar dat de regering in de Troonrede het voornemen uitsprak jongeren „zoveel mogelijk te betrekken bij de vormgeving van het beleid inzake onderwijs, vorming, ontwikkeling en ontspanning”.

Anticiperen op de nieuwe tijd deed het nieuwe kabinet ook op een minder begripvolle manier, alleen werd dát niet in de Troonrede uitgesproken. Wijs geworden door de hevige rellen in Amsterdam had minister van Binnenlandse Zaken Henk Beernink (CHU) zich bezonnen op middelen waardoor de politie beter kon ingrijpen bij grootschalige ordeverstoringen. Een maand na de Troonrede kwam hij met het voorstel om voor de politie vijf extra waterkanonnen, eufemistisch aangeduid als „waterwerpers”, aan te schaffen en te stationeren in de grote steden.

Wereldwijd was 1968 een onrustig jaar vol oproer en protest. Maar ook in de kunsten was 1968 een revolutionair jaar, waarin legendarische albums verschenen en nieuwe stromingen het licht zagen. Een interactieve tijdlijn vol meesterwerken.

Niet anders dan „een wapen tegen de vrije meningsuiting en tegen de vrijheid van demonstratie”, riep het communistische Kamerlid Wim van het Schip nog tevergeefs. Met goedkeuring van de Kamer werden de extra waterkanonnen – kosten 550.000 gulden (252.000 euro) – aangeschaft. Om nauwelijks te worden gebruikt, want in tegenstelling tot Frankrijk bleef het in Nederland rustig.

Gerechtvaardigde grieven

Nederland was geen Frankrijk. Dat land, zo signaleerde de onlangs op 107-jarige leeftijd overleden senator Johan van Hulst (CHU) in 1968 tijdens een debat in de Eerste Kamer, had te maken met een „paternalistisch, misschien wel grootvaderlijk bewind” dat het gehele land „onmondig” hield. Zelfs de als conservatief bekend staande minister Joseph Luns (Buitenlandse Zaken, KVP) was het met hem eens. Hij sprak over „gerechtvaardigde grieven” van de studenten. Alleen had hij bezwaar tegen de revolutionaire teksten waarmee deze geuit werden.

Vandaar de paniek in mei 1968 bij enkele ministers toen bekend werd dat de Franse studentenleider Daniel Cohn-Bendit samen met Karl Dietrich Wolff, rechterhand van de Duitse studentenactivist Rudi Dutschke naar Amsterdam zou komen om te spreken op een door de democratisch-socialistische studievereniging Politeia en het blad Rode Tribune georganiseerde bijeenkomst. Konden die niet worden tegengehouden? Het was minister van Justitie Carel Polak (VVD) die het punt op vrijdag 17 mei 1968 in de wekelijkse vergadering van de ministerraad aan de orde stelde. Polak zei „geneigd” te zijn Cohn-Bendit en Wolff de toegang tot het land te weigeren. Iets dat eenvoudig kon in het Europa van de toen nog gesloten grenzen.

Maar Polak vond premier Piet de Jong op zijn weg. Die was bang dat niet de komst van beide mannen, maar het weigeren van hen juist tot onrust zou kunnen leiden. „Daardoor zal het vuur alleen maar aanwakkeren”, zei De Jong volgens de notulen van de ministerraadsvergadering waar de korte discussie valt te lezen onder agendapunt 15c: Bezoek buitenlandse agitatoren.

Premier De Jong, in alles de rust zelve, maakte zich niet zoveel zorgen. Een bezoek van Rudi Dutschke aan Amsterdam enkele maanden eerder was ook rustig verlopen. Zijn vice-premier Joop Bakker (ARP) had aarzelingen: „Er kan een moment komen dat het toelaten van agitatoren juist niet meer de veiligste weg is”, waarschuwde hij. Minister van Sociale Zaken Bauke Roolvink (ARP) keerde zich eveneens tegen te veel toegeeflijkheid. Hij hield rekening met massale werknemersacties tegen zijn aangekondigde loonmaatregel die de cao’s voor minstens een half jaar zouden bevriezen. Zwichten voor de studenten zou volgens hem betekenen dat de regering in die confrontatie zwakker zou komen te staan.

Klinkt als bandiet

Afgesproken werd dat Polak met de Amsterdamse burgemeester Ivo Samkalden en de hoofdcommissaris van politie zou overleggen. Hun oordeel over de komst van beide buitenlandse studentenleiders moest „veel gewicht in de schaal leggen”. Polak mocht daarna „naar bevind van zaken handelen”. Cohn-Bendit en Wolff werden gewoon toegelaten, maar niet nadat Polak zich in de Tweede Kamer nog had moeten verantwoorden voor zijn toegeeflijke aanpak. Het Kamerlid Hubert Kronenburg van de Boerenpartij had hem naar de Kamer geroepen om antwoord te geven op de vraag waarom de minister Cohn-Bendit, „op zijn Frans uitgesproken ongeveer klinkend als ons woord bandiet”, niet de toegang tot het land had ontzegd.

De bekeerde Polak reageerde met de later nog vaak geciteerde woorden dat „democratie niet een staatsvorm voor bange mensen is, niet voor mensen die voor elke politieke beweging of elke politieke verandering angstig zijn”. Daarom konden de studentenleiders naar Nederland komen. Polak: „Wij mogen niet de orde en rust bij voorbaat stellen boven de vrijheid van het woord en de vrijheid van meningsuiting.”

Een dag later traden beide buitenlandse studentenleiders op in een volgens de verslaggever van het Algemeen Handelsblad „uitpuilend” Capitol-theater aan de Rozengracht in Amsterdam waar Cohn-Bendit zijn rede begon met: „Leve de strijd van de arbeiders en intellectuelen in Frankrijk en in heel Europa”, en de Nederlandse studenten vervolgens adviseerde op straat contact te zoeken met de arbeider. Er gebeurde die avond niets. Weliswaar werd gescandeerd dat theater Carré bezet moest worden, maar aan die oproep werd geen gevolg gegeven.

Erotische kunst

Premier Piet de Jong bleek de situatie opnieuw goed te hebben ingeschat. In Nederland waaide de storm over. De ministerraad kon zich met andere tekenen des tijds bezighouden. Zoals het VARA-kunstprogramma Rood-wit-blauw dat een reportage had uitgezonden van een tentoonstelling over erotische kunst in Zweden. „Is het niet de plicht van de regering dergelijke uitzendingen te verhinderen?”, vroeg minister Luns zich af.

Op 17 september 1968 hield koningin Juliana wederom de Troonrede. In de maanden daarvoor was binnen het kabinet uitvoerig gediscussieerd of er niet moest worden gekozen voor een andere opzet om de bevolking directer aan te spreken. Meer een verhaal met een boodschap dan een plannenlijst. Het mondde uit in een een compromis: de klassieke opzet, maar wel met aansprekender taalgebruik.

En wederom met gevoel voor de tijdgeest, zo bleek. „Belangrijke gebeurtenissen” hadden aangetoond dat burgers „mede richting wilden geven aan de doorwerking van de democratie”, sprak de koningin. „De regering staat open voor deze verlangens, die door velen in ons volk, in het bijzonder door de jonge generatie, worden geuit.”

De Franse president Charles de Gaulle moest in 1969 onder druk van de acties van studenten en arbeiders aftreden. Het kabinet-De Jong bleef gewoon tot en met 1971 zijn wettelijke termijn uitzitten.

Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968. Lees de verhalen hier.

    • Mark Kranenburg