In Benghazi is alleen het Amerikaanse consulaat in ere hersteld

The New York Times nam een kijkje in de Libische stad waar het protest tegen Moammar Gaddafi begon en treft daar voornamelijk herinneringen aan de strijd.

Foto uit 2013. Burgers verzamelen zich in de buurt van een gerechtsgebouw in Benghazi, waar een bom is ontploft. Foto Mohameed Algweel/EPA

Benghazi: Amerikanen denken bij het horen van die naam aan de aanval op het Amerikaanse consulaat in september 2012 en het politieke schandaal rondom het optreden van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton. Maar voor Libiërs vormt die gebeurtenis slechts een anekdote van de chaos en het geweld waarin het land en haar inwoners de afgelopen jaren zijn gestort.

Jarenlang vochten het nationale leger - een overblijfsel van het bewind van Moammar Gaddafi - en gewapende (islamitische) milities om de macht in het land. Afgelopen december kwam een einde aan het openlijke geweld. De milities controleren delen van het land, een ‘centrale regering’, gesteund door de Verenigde Naties, zetelt in de hoofdstad Tripoli. Je kunt je afvragen waaróver deze overheid precies regeert, want van Libië is haast niets meer over, zo zag journalist Declan Walsh in maart van dit jaar. In woord, maar meer nog in beeld neemt hij het publiek van The New York Times mee door Benghazi.

Levens opbouwen

Gebouwen zijn verpulverd, straten liggen bezaaid met inslagkraters. Af en toe stuiten de journalist en zijn gidsen op de lijken van strijders, die daar onceremonieel zijn achtergelaten, of juist strategisch in trapsgaten zijn gelegd als boobytrap. Je hoort opluchting in Walsh’ stem als hij vertelt over de Libische jongeren die nog of weer in Benghazi wonen en wat van de stad en hun leven proberen te maken.

De oud-strijders in Benghazi hebben de hoop gevestigd op een nieuwe militaire leider. Oh, en de Amerikaanse ambassade? Geen nood, die staat er alweer ongeschonden bij.

    • Lisa Dupuy