‘We horen tot de generatie met een slecht geweten’

Uitwisseling Kort na de oorlog openden Franse gezinnen hun deuren voor Duitse scholieren. Dorothea Klessmann (1938) kijkt terug op een leerzame ervaring.

Dorothea Klessmann laat de foto’s zien van de uitwisselingsreis die zij als scholier naar Frankrijk maakte. Foto’s Gordon Welters

De Tweede Wereldoorlog was pas tien jaar voorbij, toen Dorothea Klessmann, een scholier uit het Duitse Göttingen, met open armen werd ontvangen in een Frans gezin. Ze was kind van de voormalige vijand, maar Europa moest opgebouwd worden. De nieuwe generatie Fransen en Duitsers moest de oude vijandschap overwinnen – te beginnen met scholierenuitwisselingen.

Dorothea Klessmann. Foto Gordon Welters

„Mijn lerares Frans had het initiatief genomen”, vertelt Klessmann (1938) meer dan 63 jaar later in haar huis in Potsdam, niet ver van Berlijn. „Eerst gingen we één week naar Parijs, in een goedkoop hotelletje. Daarna werden we drie weken ondergebracht bij Franse gezinnen in Rouen. Daar gingen we naar school.”

Zo kort na de oorlog sprak het niet vanzelf dat Fransen hun deuren openden voor Duitsers. Met bewondering spreekt Klessmann over de vrouw die haar in huis nam, een oorlogsweduwe, net als haar eigen moeder. Ze was hoofd van een lagere school, kwam uit een communistisch nest, en had één dochter, Jacqueline, een jaar ouder dan Klessmann. „We waren allemaal enthousiast over Europa. We hadden vreselijke jaren achter de rug.” Het idee voor scholierenuitwisselingen kreeg een steviger politieke basis toen president De Gaulle en bondskanselier Adenauer in 1963 het Elysée-verdrag ondertekenden, waarin een nieuw fundament werd gelegd voor goede betrekkingen tussen de twee voormalige erfvijanden, ook op cultureel en onderwijsgebied.

Als uitvloeisel daarvan werd door beide staten hetzelfde jaar nog een organisatie opgericht die verantwoordelijk werd voor de uitwisseling – „om de band tussen de jeugd in beide landen te versterken en het begrip voor elkaar te verdiepen”. Het werd een groot succes. In de loop der jaren hebben 8,8 miljoen jonge Fransen en Duitsers deelgenomen aan de uitwisselingen – ze zijn in beide landen een begrip.

Opwindend avontuur

Voor Dorothea Klessmann en haar klasgenoten was het een opwindend avontuur, maar niet altijd makkelijk. „We horen tot de generatie met een slecht geweten, ook al hadden we niet persoonlijk aan de oorlog deelgenomen. Ik was pas zes jaar toen de oorlog voorbij was.”

„Het was duidelijk dat Duitsers niet geliefd waren, je moest je altijd verontschuldigen.” Maar vijandigheid ontmoette de 16-jarige scholier uit Göttingen maar één keer. „Met een paar vriendinnen liepen we in de buurt van de haven. Toen mensen hoorden dat we onder elkaar Duits spraken, werden we met stenen bekogeld.”

Klessmann en haar ongeveer twaalf klasgenoten van het meisjesgymnasium in Göttingen hadden allemaal Frans als keuzevak. Toch hebben ze in de klas in Rouen waar ze drie weken meeliepen niet veel geleerd, erkent Klessmann. Maar van de hele Franse ervaring des te meer.

‘Ik was ook wel een beetje rebels, maar gelukkig had mijn gastmoeder daar veel begrip voor’

„Na de oorlog was ons gezin gevlucht uit Oost-Brandenburg [nu Polen, red.]. We hadden het thuis arm en woonden met mijn moeder, mijn broer en zus, mijn opa en een neef in een klein huis. Mijn moeder was vastbesloten ervoor te zorgen dat haar kinderen via een goede opleiding uit die miserabele omstandigheden zouden komen. Ze scharrelde het geld bijeen om mij met die uitwisseling te laten meedoen.”

Het gaf haar een bredere blik op de wereld buiten het naoorlogse Duitsland, en op een andere manier van leven. „Ik werd enorm verwend in dat Franse gezin. Ik leerde garnalen en artisjokken eten en champagne drinken. Dat was wat! Ik was verbaasd hoe autoritair de kinderen in Frankrijk werden opgevoed en hoe gehoorzaam ze waren. Wij Duitse kinderen waren veel zelfstandiger.

„Ik was ook wel een beetje rebels, maar gelukkig had mijn gastmoeder daar veel begrip voor. Ze kon alleen niet begrijpen dat ik zo weinig van Heine had gelezen. En ze wilde dat ik me in Franse filosofen ging verdiepen.”

De oorlog was voorbij, maar niet vergeten. „We hebben met de klas bloemen gelegd bij een monument voor de leerlingen van de school die in de oorlog gedeporteerd waren. En toen we op de terugweg stopten bij de kathedraal van Amiens, las ik op een informatiebord over de gruwelijkheden die de Duitsers daar in de Eerste Wereldoorlog hadden aangericht. Ik dacht: en dat is veertig jaar geleden. Hoe lang zal het nog duren voor wij als Duitsers ons niet meer hoeven schamen?”

Nog hetzelfde jaar kwam de Franse klas op tegenbezoek, en kwam Jacqueline logeren in Göttingen. „Mijn moeder maakte zich zorgen over de armoedige indruk die we zouden maken. Ze bakte daarom iedere dag taart. Voor Jacqueline was het leuk om in zo’n druk gezin opgenomen te zijn.”

Klessmann, die later lerares Latijn en geschiedenis werd, heeft haar Frans niet bijgehouden. Ze heeft een tijd met Jacqueline gecorrespondeerd, de Française in het Duits, zijzelf in het Frans, zo was de afspraak. Na een jaar of vijf verwaterde het contact.

Haar eigen kinderen hebben op de middelbare school niet aan een uitwisseling meegedaan. Maar haar dochter heeft na haar eindexamen wel een cursus Frans aan de Sorbonne gevolgd , terwijl ze werkte als au pair.

„Toen ik naar Frankrijk ging waren overal grenzen en slagbomen – ook binnen Duitsland. Als je ziet hoeveel mogelijkheden er nu zijn om te reizen en in andere Europese landen te studeren, dan is het eigenlijk toch allemaal heel snel gegaan.”

    De uitwisseling:

    Meer dan een schoolreisje

    Leerlingen van het Norbertus Gymnasium in Maagdenburg kunnen kiezen uit drie landen: Frankrijk, Rusland of Polen.

    De taal is er bij ingeschoten, erkent Winfried Ernst met spijt. Op het Norbertus Gymnasium in de Duitse stad Maagdenburg coördineert hij de internationale scholierenuitwisselingen. De leerlingen van het Norbertus kunnen niet alleen een week naar Frankrijk, maar ook naar Rusland en Polen. Zijn school hecht er groot belang aan hen in contact te brengen met leeftijdgenoten uit verschillende Europese landen.

    Maar het oorspronkelijke idee – spreek de taal van het ontvangende land – is ingehaald door de 21ste-eeuwse werkelijkheid. De voertaal tussen scholieren is tegenwoordig Engels. „Sommige Polen spreken wel Duits, maar dat zou voor een scheve verhouding zorgen omdat onze leerlingen meestal geen Pools spreken.”

    Maagdenburg is de hoofdstad van Saksen-Anhalt, en was tot 1990 deel van de DDR. Het naoorlogse herstel van de banden met Frankrijk vond plaats in West-Duitsland. Hier, in het oosten, was men op Rusland gericht en Russisch was op school de eerste vreemde taal.

    Voor iedereen verplicht

    Pas sinds de Duitse hereniging zijn er ook uitwisselingen met Franse scholen. Wie op het Norbertus Russisch in zijn pakket heeft, kan meedoen met een uitwisseling met een school in Rusland, wie Frans heeft met een school in Frankrijk. En de week naar een school in buurland Polen is voor iedereen verplicht.

    „In politiek en maatschappelijk opzicht maakt dat land een moeilijke periode door”, zegt Ernst. „Maar Polen gaat me aan het hart, wij vinden het belangrijk dat onze leerlingen ook daar gewone mensen leren kennen.”

    De geschiedenis, en vooral die van de Tweede Wereldoorlog, speelt een grote rol als de Duitse scholieren in Polen zijn – en ook als de Poolse leerlingen op tegenbezoek komen. Dat blijkt als vier leerlingen op een vrijdagmiddag aan een ronde tafel vertellen over hun ervaringen.

    Lees ook: Een Berlijnse wethouder, Sawsan Chebli, kwam onlangs met het voorstel alle Duitse scholieren te verplichten een concentratiekamp te bezoeken. Zo zou het weer toenemende antisemitisme bestreden kunnen worden.

    „We hadden goed contact”, zegt Julian Hammecke (17) over zijn Poolse leeftijdgenoten. „Voor mij was het de eerste keer dat ik buiten Duitsland gedenktekens van de Duitse geschiedenis zag. Samen met de Poolse scholieren zijn we in Kreisau geweest [in het Pools: Krzyzowa], waar de Kreisauer Kreis bijeenkwam, de verzetsgroep die tijdens de oorlog plannen ontwikkelde voor het Duitsland van na Hitler. Ook hebben we het concentratiekamp Gross-Rosen bezocht. En toen de Poolse scholieren naar Berlijn kwamen hebben we ze de Rijksdag laten zien.”

    ‘Als je nog jong bent kan dat grote invloed hebben en je blik op de wereld bepalen.’

    Reizen naar het buitenland mag voor deze generatie heel makkelijk zijn, dat doet niets af aan het nut van de scholierenuitwisseling, vindt Natalie Karlapp (16). „Het is noodzakelijk. Je krijgt begrip voor mensen in andere landen. Als je nog jong bent kan dat grote invloed hebben en je blik op de wereld bepalen.”

    Jammer alleen, vult Paula Kirmis (16) aan, „dat we in Polen niet bij een familie in huis zaten, maar in een jeugdherberg”. Juist door de logeerpartijen over en weer, vindt ook Veronika Millea (15), is zo’n uitwisseling „meer dan een schoolreisje. Dat heb ik ervaren in Orléans. Bij mensen in huis raak je echt in gesprek.”

    Zijn ouders, zegt Julian Hammecke, hadden zelf nooit aan zo’n uitwisseling meegedaan. „Juist daarom vonden ze het prachtig om de Poolse scholieren te leren kennen toen die bij ons kwamen logeren.”

    Val van de Muur

    Onlangs stelde de minister van onderwijs van de deelstaat Thüringen voor om naar het voorbeeld van de internationale scholierenuitwisselingen ook zulke projecten op te zetten binnen Duitsland, tussen Oost- en West-Duitse scholen, omdat er bijna dertig jaar na de val van de Muur nog steeds veel wederzijds onbegrip zou zijn.

    „We hebben niet alleen uitwisselingen met Polen en Frankrijk nodig, maar ook tussen Leipzig en Stuttgart”, aldus minister Helmut Holter (Die Linke). „Oost-Duitse ervaringen moeten in het Westen worden gebracht en omgekeerd.”

    De scholieren van het Norbertus vinden het geen gek idee. „Er bestaan nog veel vooroordelen”, zegt Julian Hammecke. „Dat we hier allemaal arm zijn, bijvoorbeeld.”

    Zijn medeleerling Paula Kirmis valt hem bij: „Mensen in het oosten en het westen denken vaak dat er grote verschillen tussen hen zijn, terwijl dat helemaal niet klopt.”

    Hier op school, zegt coördinator Winfried Ernst, vindt zo’n uitwisseling tussen mensen uit het westen en het oosten eigenlijk al plaats. Er zijn scholieren uit gezinnen die altijd in Maagdenburg hebben gewoond, en andere die uit het westen komen. „Mijn vrouw en ik komen ook uit het westen, en onze kinderen zijn hier zonder problemen opgegroeid.”

    Misschien nog wel nuttiger, oppert Ernst, is een ander soort uitwisseling tussen Duitse scholen. „Er is nog steeds een kloof tussen maatschappelijke klassen. Je zou een uitwisseling kunnen doen van scholen waar de leerlingen vrijwel allemaal uit een goed opgeleide middenklasse-familie komen, zoals het Norbertus, met scholen waar de meeste leerlingen uit gezinnen komen, al dan niet met migratie-achtergrond, waar het ongebruikelijk is om door te leren.”

    Door Juurd Eijsvoogel.

      Loïc en Anja, het Frans-Duitse koppel

      Zij is Duits, hij Frans. Ze leerden elkaar kennen als 15-jarigen tijdens een uitwisseling. „Mensen zijn altijd bang voor het onbekende.”

      Anja en Loïc. Foto Benjamin Girette

      Als Franse media met beschouwingen komen over le couple franco-allemand, het Frans-Duitse koppel op de as Parijs-Berlijn, dan hebben Loïc en Anja Habermacher vaak dezelfde gedachte. „Dat koppel zijn wij”, lacht Anja.

      Zij is Duits, hij Frans. Zij komt uit Bielefeld, hij uit Perpignan. Ze zijn allebei dertig jaar oud en wonen in Parijs. Ze waren vijftien toen ze elkaar bij een scholierenuitwisseling in het kader van het ‘Voltaire-programma’ van het Office franco-allemand pour la jeunesse leerden kennen. In 2016 zijn ze getrouwd.

      Anja: „Ik sprak al goed Frans en wilde dolgraag naar Frankrijk. Ik wilde als kind al Française worden.”

      Loïc: „Bij mij was het meer toevallig. Ik was niet tegen het idee, maar mijn leraar Duits heeft me er echt van moeten overtuigen om naar Duitsland te gaan.”

      Anja: „Je zou zijn presentatiebrief van destijds moeten lezen. Echt grappig. Maar hij heeft verre voorouders in Zwitserland, dus zijn familie stond open voor zoiets.”

      Loïc: „Ik ging eerst vijf maanden naar Bielefeld, daarna kwam zij vijf maanden naar Perpignan.”

      Anja: „Je wordt altijd aan een andere leerling gekoppeld, niet per se een jongen met een meisje. Maar omdat in Frankrijk minder kandidaten zijn dan in Duitsland, komen ze soms met gemengde koppels.”

      Loïc: „Die eerste schooldag zal ik niet vergeten. Het was het vak ‘kunst’ en de leraar sprak over een boek dat ik niet kende met een vocabulaire waarin ik niet thuis was.”

      Anja: „En ik dacht dat mijn Frans goed was, tot ik in Perpignan les kreeg van een man met een zwaar Catalaans accent. Maar die onderdompeling is goed.”

      Loïc: „Je leert zo echt elkaars cultuur kennen. Alles was anders voor mij: culinair, natuurlijk, maar ook organisatorisch. In Duitsland waren de schooldagen korter dan ik gewend was, zonder lange lunch in de kantine. En de vakken zijn iets anders. Het niveau bij Engels lag veel hoger bij hen, maar met wiskunde liepen ze weer wat achter.”

      Anja: „Van vooroordelen heb ik niet zoveel gemerkt. Pas toen ik langer in Frankrijk zat, kreeg ik van Duitse vrienden en familieleden wel eens te horen dat Fransen echt niet altijd even sympathiek zijn. Dat ze zo trots zijn op hun land. In Duitsland spreek je die soort trots natuurlijk niet uit.”

      Loïc: „In Zuid-Frankrijk is men ervan overtuigd dat het boven Lyon onmogelijk leven is, zo koud. Maar ik kom uit een grensregio, dus dat je naar het buitenland wil vond niemand vreemd.”

      ‘De vooroordelen over Duitsers kwamen pas toen ik voor een Frans bedrijf ging werken.’

      Anja: „Toen ik na de middelbare school in Frankrijk ging studeren, merkte ik vooral dat er bewondering was dat ik bereid was van land te wisselen, te reizen. De vooroordelen over Duitsers kwamen pas toen ik voor een Frans bedrijf ging werken. Dan kreeg ik te horen dat ik zoals alle Duitsers gedisciplineerd was. En dat was geen compliment.”

      Loïc: „Gedisciplineerd wordt hier als rigide gezien.”

      Anja: „Ik heb leren omgaan met de wat soepelere omgang met tijd van de Fransen.”

      Loïc: „Als je veel reist, en ook buiten Europa, dan merk je dat binnen Europa nauwelijks buitensporige cultuurverschillen zijn. Het verschil tussen een Europeaan en een Amerikaan of Aziaat is veel groter. Maar wat wel echt tot misverstanden leidt is de indirecte manier waarop Fransen dingen vragen. Een verzoek komt altijd impliciet. Een rechtstreeks verzoek vinden we heel merkwaardig of zelfs onfatsoenlijk.”

      Anja: „We komen beiden uit open families, maar zo’n uitwisseling op jonge leeftijd draagt wel bij aan je openheid. Europese integratie is zo normaal voor ons. Toen we trouwden verbaasden we ons er over dat er nog zulke verschillen zijn in de manier waarop sommige administratieve dingen geregeld zijn.”

      Loïc: „Mensen zijn altijd bang voor het onbekende. Met een uitwisseling creëer je Europese burgers. Niet alleen de twee jongeren die naar een ander land gaan, maar vaak ook familie en vrienden leren die nieuwe omgeving begrijpen. Zeker in ons geval.”

      Anja: „Ik denk dat in Duitsland het beeld van Europa beter is dan in Frankrijk. Maar ook daar zijn mensen steeds banger voor openheid.”

      Loïc: „Het probleem met Europa is dat de tijd van de grote perspectieven wel een beetje voorbij is. De introductie van de euro is iets tastbaars, dat begrijpt iedereen. Maar leg de crisis in 2008 maar eens uit. Toch zijn dat geen dingen waarover je spreekt als je vijftien of zestien jaar oud bent. We waren natuurlijk echt jong toen we aan dat programma deelnamen. Dan speelt politiek, de geschiedenis of de oorlog of wat dan ook geen rol.”

      Anja: „De oorlog?”

      Loïc: „Een 90-jarig dametje in Lyon deed een keer moeilijk toen bleek dat ik met een Duitse getrouwd was en ik haar appartement wilde huren.”

      Anja: „Maar die was zelf met een Duitser getrouwd geweest en gescheiden.”

      Loïc: „Ja, dat is waar. Eigenlijk heeft de oorlog nooit enige rol gespeeld in ons leven of in onze Frans-Duitse relatie. Ik zal mijn opa er eens naar vragen, die is in een andere tijd opgegroeid. In het Voltaire-programma komt het ook niet aan de orde.”

      Anja: „Om eerlijk te zijn had ik geen idee dat deze uitwisseling ook maar iets met de oorlog te maken had.”

      Door Peter Vermaas

    • Juurd Eijsvoogel