Koos Breukel

‘Mijn succes moest geheel mijn eigen werk zijn’

Martin Michael Driessen | Interview

Hij was lang theaterregisseur, tot hij op zijn 45ste begon te schrijven. Nu is De pelikaan van de ‘on-Nederlandse’ Martin Michael Driessen favoriet voor de Libris Literatuurprijs.

Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 1954) spreekt het woord ‘theater’ uit als ‘Thee-Ather’, op zijn Duits dus. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat zijn moeder afkomstig is uit het voormalige Oost-Silezië en hijzelf dertig jaar lang als toneel- en operaregisseur in bijna alle stads- en staatstheaters van Duitsland heeft gewerkt.

In 1999, na het overlijden van zijn vier maanden oude zoontje aan een nierziekte, nam hij afscheid van het theater en begon hij te schrijven, na eerst nog Vondels Lucifer in het Duits te hebben vertaald. Meteen al kwam het succes. Zijn debuutroman Gars belandde in 2000 op de longlist van de AKO Literatuurprijs, Een ware held werd in 2013 genomineerd voor de Gouden Boekenuil. En in 2016 werd zijn novellenbundel Rivieren bekroond met de ECI Literatuurprijs. Met zijn tragikomische roman De pelikaan is hij nu een van de zes kanshebbers voor de Libris Literatuurprijs 2018, die maandag wordt uitgereikt in Amsterdam.

Net als zijn eerdere werk is De pelikaan een bijna on-Nederlands boek. Dat komt met name door het verhaal en de toon, die aan humoreske Oost-Europese schrijvers als Bohumil Hrabal of Jaroslav Hašek doet denken. De pelikaan speelt zich af in Joegoslavië aan de vooravond van de oorlog van 1992-1999, die het land uiteen deed vallen. In een Kroatisch kustplaatsje, waar pelikanen laag over de zee scheren, opent postbode Andrej op een dag een brief onder nummer van Josip Tudjman, de machinist en conducteur van een kabelspoorbaan. De ongelukkig getrouwde Josip blijkt een buitenechtelijke verhouding met een vrouw in Zagreb te hebben. Andrej besluit hem af te persen. Maar wanneer hij een ongeluk krijgt en Josip zijn leven redt door op tijd zijn gescheurde slagader af te binden, raken de mannen bevriend. Josip gaat voor Andrejs hond zorgen en ontdekt bij de postbode thuis dat die de brieven van anderen opent om er geld uit te stelen. Omdat Josip zelf geld nodig heeft, besluit hij op zijn beurt Andrej af te persen. Het is het begin van een komedie, die door de oorlog van 1992 een onverwachte, bittere wending krijgt, als in een operalibretto.

Lees ook: Wie maakt de meeste kans op de Libris Literatuur Prijs?

Waarom koos u op uw vijfenveertigste voor het schrijverschap?

„In het theater werk je altijd intensief met tientallen anderen samen, terwijl schrijven iets is wat je in je eentje doet. De mooiste dingen die ik in het theater heb gerealiseerd, komen uit die samenwerking voort. Als een voorstelling succes heeft, denkt de sopraan dat dat door haar komt, maar als het een fiasco is, geeft iedereen de regisseur de schuld. Op een gegeven moment wilde ik weten wat ik op eigen kracht kon, om geen excuus meer te hebben voor mijn eigen falen. Mijn succes moest geheel mijn eigen werk zijn. Het is zoals Goethes Faust zegt: ‘Ich bin zu alt, um nur zu spielen, zu jung, um ohne Wunsch zu sein.’

Nu hij schrijft is de cirkel gesloten. „Als klein jochie al wilde ik kunstenaar worden, om werelden te kunnen scheppen zoals ik het wilde, werelden die beter waren dan de echte wereld. Mijn leven lang ben ik daarmee bezig. Die behoefte is een sterke aandrift. Misschien komt het voort uit levensangst, waardoor je iets helemaal wilt kunnen beheersen. En als je zo onzeker bent, dan moet je natuurlijk God worden, want pas dan kun je alles zo maken als jij het hebben wilt. Mijn passie om toneel te maken kwam daar ook uit voort. Nu heb ik alleen nog pen en papier, of een beeldscherm.”

Uw debuut, de ridderroman ‘Gars’, speelt in zo’n eigen wereld. Het is niet bepaald bekentenisliteratuur, zoals veel Nederlandse romans van tegenwoordig.

„Ik heb een hekel aan bekentenisliteratuur. Mijn keuze voor het exotische genre van de ridderroman was uiterst persoonlijk. Want ik had een zoontje verloren. Het rouwproces nam zo’n vorm aan dat ik mijn leed heb verdrongen door een barstensvolle, barokke ridderroman te schrijven. Die ridder wordt uiteindelijk koning van Frankrijk en paus. Zelf wilde ik trouwens ook lange tijd paus worden, omdat ik dan tegen mijn eigen vader ‘mijn zoon’ zou kunnen zeggen.

Als klein jochie al wilde ik kunstenaar worden, om werelden te kunnen scheppen zoals ik het wilde, werelden die beter waren dan de echte wereld

„Rouw wordt op den duur minder , maar als je zoiets verschrikkelijks hebt meegemaakt als de dood van je zoontje, dan triggert de gedachte daaraan een reflex van pijn. Ik heb dat kind nauwelijks gekend, maar die wond gaat niet over. Het is twintig jaar geleden gebeurd, maar als ik eraan denk doet het me zoveel pijn dat er nog steeds tranen bij me opkomen.”

Uw drie novellen in ‘Rivieren’ werden door sommige critici met opera vergeleken. Speelde uw theaterverleden misschien even op tijdens het schrijven?

„Het slot van het derde verhaal ‘Pierre en Adèle’, met dat kind in die brandende rivier, is echt opera. Het was een genoegen om mijn vroegere métier in literatuur te doen herleven. Daarom heb ik al mijn personages opzettelijk op één plek samengebracht. Het leverde een enorme apotheose en katharsis op, met grote visuele effecten. ”

Ook wat dat betreft bent u een on-Nederlandse schrijver.

„Dat beaam ik. Ik zie mezelf eerder als een Europese schrijver. Rivieren speelt zich af in Duitsland, Frankrijk en een beetje in Nederland. In de dertig jaar dat ik in Duitsland werkte, las ik behalve Vondel, die ik in het Duits heb vertaald, heel weinig Nederlandse literatuur. Wel heb ik veel Scandinavische en Russische schrijvers gelezen. Door hen ben ik veel meer beïnvloed. Op de lagere school werd ik al onder de bank betrapt met Dostojevski’s Schuld en boete. En op de middelbare school verslond ik Thomas Mann.”

Wat heeft dat lezen met u gedaan?

„Voor mijn generatie was het een mogelijkheid om de waarheid te ontdekken die je niet van je ouders of op school te horen kreeg. Het was iets subversiefs, wat ook met seksualiteit te maken had. Die subversiviteit ontdekte je via andere media, zoals boeken. Zo hadden we thuis een editie van Meyers Konversations-Lexikon uit de jaren dertig, waarin sterretjes stonden bij de namen van alle Joden. Mijn vader legde me uit wat die sterretjes betekenden. Ik merkte toen op dat het er wel heel erg veel waren. Zo begon ik al vroeg na te denken over hoe de wereld in elkaar steekt.”

U hebt een tweetalige opvoeding gehad, met een moeder uit Oost-Silezië. Heeft dat uw blik op de wereld bepaald?

„Mijn vader, die een technische opleiding had, was in de oorlog in Duitsland tewerkgesteld. Daar leerde hij mijn moeder kennen. Drie dagen na de Duitse capitulatie zijn ze getrouwd. Mijn vader werkte daarna nog een paar jaar in Duitsland voor de Allied Control Commission, waarna ze naar Nederland vertrokken. Daar werd mijn moeder met de nek aangekeken. Thuis spraken ze Duits met elkaar, waardoor ik tweetalig ben opgevoed.

Voor mijn generatie was het een mogelijkheid om de waarheid te ontdekken die je niet van je ouders of op school te horen kreeg

„Die dualistische opvoeding heeft me gevormd. In feite heb ik twee vaderlanden, of beter gezegd: een vaderland en een moederland. Het komt tegemoet aan een modern, gefragmenteerd levensgevoel. Iedereen heeft behoefte aan een Heimat, maar die ligt tegenwoordig buiten de landsgrenzen, want dan weer zijn we in ons buitenhuisje in Frankrijk, dan weer brengen we een weekend in Barcelona door. Als ik in mijn Lederhosen door de Duitse wouden loop, voel ik me Duits, en in Nederland Nederlands.”

Is dat ook de oorzaak van die humor in ‘De pelikaan’?

„Die roman bevat een slapstick-achtig element. Het deel van Silezië waar mijn moeder vandaan komt, ligt dicht bij de Tsjechische grens. Voor de helft is ze van Slavische komaf, dus genetisch beschouwd ben ik ook Slavisch. Ik ben me duidelijk bewust van wat de Slavische literatuur me te bieden heeft. Maar pas met De pelikaan heb ik voor het eerst een roman geschreven die zich in Oost-Europa afspeelt. Over de eerste zin merkte een recensent op dat het was alsof je een oude Rus las. Ik maak bewust gebruik van ouderwetse stijlmiddelen.”

Lees ook: De recensie van De pelikaan

De postbode Andrej in ‘De pelikaan’ doet me denken aan…

„… de postbode François uit Jacques Tati’s film Jour de fête. Zoiets doe ik expres, maar het werkt alleen als het me lukt om de lagen van de verbeelding van de lezer te bereiken, zodat die dezelfde beelden ziet opkomen die ik had tijdens het schrijven. Vaak schrijf ik ook over landschappen die ik niet goed ken. Ik heb juist nodig wat ver van me weg is en alleen in mijn musée imaginaire bestaat. Als ik een boek zo ouderwets begin, doe ik dat heel bewust, omdat de lezer zulke beschrijvingen ook uit andere boeken kent. In geen geval wil ik literair vuurwerk afleveren, dat misschien spectaculair geschreven is, maar niets oproept.”

Uw Josip Tudjman is een van de aardigste personages uit de Nederlandse literatuur. Staat hij ergens voor?

„Hij is een Elckerlyc, een Alleman, een niet al te snuggere, overzichtelijke, menselijke man. Net als Andrej begrijpt hij niets van vrouwen. Aan het eind van De pelikaan zegt Josip dat hij altijd voor anderen heeft moeten zorgen, op één keer na, toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog gewond raakte. Zodra hij van zijn verwondingen hersteld was, wilde hij naar de frontlinie, maar zijn kameraden beschouwden hem als een mascotte en stuurden hem naar het achterland. Toen ik die passage schreef, wist ik dat die goed was. Ik was er zelf verbaasd over.”

Waarom koos u Joegoslavië als plaats van handeling?

„Op een gegeven moment had ik een oorlog nodig voor het verhaal. En ook een stagnerende samenleving met kansarme mensen, die weinig afleiding hadden. Alleen op zo’n manier kon ik die wederzijdse chantage plausibel maken. Ook wilde ik het getob van die twee mannen samenbrengen in een groot noodlot, waaraan niemand zich kan onttrekken.

Op een gegeven moment had ik een oorlog nodig voor het verhaal

„Iedereen is wel eens met vakantie geweest in zo’n omgeving. Flamingo’s, de zee, een haventje. Door dat in mijn musée imaginaire te gebruiken, mobiliseer ik het lot. Het is een statische idylle, die gedoemd is ten onder te gaan.”

Voor wie heeft u de meeste sympathie? Voor Josip of voor Andrej?

„Daar heb ik geen antwoord op. Josip is het aardigst, Andrej is gevaarlijk en heeft een criminele energie. Maar ik houd van beiden. Mijn personages zijn uitvergrote delen van mijn persoonlijkheid. Andrej is de egomane narcist in mij, maar ik ben ook de betrouwbare Josip.”

Uw boeken spelen nooit in het hier en nu. Hoe komt dat?

„Ik zoek de afstand. Zelf heb ik het woord parabel gebruikt, om afstand te scheppen tot de lezer en tot mezelf, omdat het verhaal dat ik wil vertellen van alle tijden is. De werkelijkheid is tenslotte altijd groter dan de actualiteit. De literatuur doet zichzelf onrecht als ze zich door die actualiteit laat gijzelen.”

Dan zal weinig hedendaagse literatuur u boeien?

„Dat is juist. Daarom lees ik nu Joseph Roth. Ook vanwege zijn ironie.”

Is die ironie belangrijk in de literatuur?

„Ja, in de zin van relativeringsvermogen. Dat je laat zien hoe de dingen zich tot elkaar verhouden en je perspectief kunt aanbrengen. Ironie helpt me om afstand te scheppen tussen mijzelf en het heden, maar ook om de gedragingen van mijn personages een plaats te geven. Zonder ironie zou ik niet kunnen schrijven. .”

Nog even over de titel van uw boek. Waar staat die pelikaan voor?

„Josip legt uit dat de pelikaan in de middeleeuwen het symbool was van de opofferingsgezindheid, maar ook van de bloeddonatie. Mijn boek gaat over zelfzucht, egoïsme en levensdrang, maar ook over het goede dat mensen voor elkaar over hebben. Zo zegt Josip ergens dat dezelfde mensen vaak zowel goed als kwaad doen. Daarover gaat mijn verhaal: zowel Josip als Andrej doen het goede en het slechte. De pelikaan is dus een symbool van een ideaal dat onbereikbaar is. Niet voor niets creperen pelikanen aan het eind van mijn boek in de brandende olie, een beeld dat ik ontleend heb aan de ramp met de olietanker Exxon-Valdez.”

Bent u bezig met een nieuw boek?

„Ja, het verhaal speelt zich af in Galicië. Ik ben blij dat ik weer schrijf. Want dat ging de afgelopen maanden moeizaam. Door het succes van mijn laatste twee boeken ben ik wantrouwend geworden ten opzichte van mezelf. Ik was bang dat ik me tijdens het schrijven onbewust zou laten leiden door de wens naar die erkenning. Het is een menselijk verlangen, maar het heeft niets met kunst te maken.”

De pelikaan verscheen bij Uitgeverij Van Oorschot. De andere genomineerden voor de Libris Literatuurprijs zijn: ‘En we noemen hem’ van Marjolijn van Heemstra, ‘Wees onzichtbaar’ van Murat Isik, ‘Peachez, een romance’ van Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken’ van Arjen van Veelen en ‘De heilige Rita’ van Tommy Wieringa.
    • Michel Krielaars