Kun je beter zien na het eten van donkere chocola?

Iedere week bespreekt de redactie wetenschap een opvallend persbericht. Deze week: Na het eten van een reep extra pure chocola zien proefpersonen niet alleen scherper maar kunnen ze ook beter contrast zien.

Beter zien door het eten van donkere chocola? Het persbericht dat het medische blad JAMA Opthalmology eind maart uitbracht viel al op door het vraagteken in de kop. De aarzeling die eruit spreekt blijkt volkomen terecht als je het onderzoek zelf erop naslaat. Het is van een erbarmelijk niveau.

Het gaat om een proef met 30 vrijwilligers, die voorafgaand aan een ogentest een chocoladereep aten. De helft kreeg een reep donkere Belgische chocola (72 % cacao) en de andere helft een reep melkchocola met gepofte rijst (31 % cacao). Drie dagen later deden de deelnemers de proef andersom.

Bescheiden

Zesentwintig personen hadden een beter gezichtsvermogen twee uur na het eten van de donkere chocola, dan na de melkreep. Het was een bescheiden effect, maar toch significant. De onderzoekers hebben een donkerbruin vermoeden hoe dat choco-mirakel werkt, schrijven ze. Cacao bevat flavonol, een anti-oxidant die de bloedvoorziening in allerlei organen, inclusief het netvlies, kan stimuleren. De pure reep bevatte wel 316,3 milligram van die heilzame stof, de melkreep slechts 40 milligram.

Maar niemand weet óf de doorbloeding van het netvlies verbeterde – dat is niet gemeten. Ook is niet uitgesloten of iets anders dan flavonol het effect gaf. De melkreep bevatte naast cacao ook vanille en flink wat gepofte rijst – cacaofantasie zouden wij dat in Nederland noemen. En ook: degene die de oogmetingen deed, wist welke reep de proefpersonen gegeten hadden – dat zou invloed kunnen hebben op het resultaat.

Er blijft een magere conclusie over, dat realiseren de onderzoekers zich ook; „Onze bevindingen suggereren dat een enkele dosis donkere chocola de waarneming van kleine details met laag contrast binnen twee uur verbetert, vergeleken met melkchocola, maar de duur van dit verschil en de klinische relevantie ervan blijft nog onzeker.”

    • Sander Voormolen