Karl Marx was geen marxist

Profiel Karl Marx werd 200 jaar geleden, op 5 mei 1818, geboren in Trier. Hij was geen econoom, maar gaf de wereldeconomie wel een ander aanzien. Marx wilde zelf vóór alles een wetenschapper zijn en geen vage dromer die hoopte op een betere wereld.

Om iets van Marx te begrijpen, moet je goed beseffen dat de auteur van Das Kapital géén econoom was, maar een filosoof die uit een zeer specifieke wijsgerige traditie stamde. Foto Michael Nicholson/Getty Images

‘Karl Marx was een Duits filosoof.” Met deze schijnbare platitude opende Leszek Kolakowski zijn monumentale, driedelige Geschiedenis van het marxisme. Hij rechtvaardigde dit intrappen van een open deur met een verwijzing naar de negentiende-eeuwse Franse historicus Jules Michelet, die zijn lezingen over de geschiedenis van Engeland zou zijn begonnen met de opmerking: „Dames en heren, Engeland is een eiland.”

Om iets van de Engelsen te begrijpen, mag je inderdaad nooit vergeten dat het land door zee gescheiden is van het Euraziatische continent. En om iets van Marx te begrijpen, moet je goed beseffen dat de auteur van Das Kapital géén econoom was, maar een filosoof die uit een zeer specifieke wijsgerige traditie stamde.

Toen Kolakowski dit schreef, gooide hij bewust een knuppeltje in het hoenderhok, want in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd Marx vooral gezien als de grondlegger van een invloedrijke socialistische stroming, als een van de pioniers van het toen zeer populaire vak sociologie, en als een econoom die een scherpzinnige analyse van de vrijemarkteconomie op zijn naam had staan.

Daarnaast werd hij weliswaar ijverig bestudeerd door allerlei filosofen, maar dan vooral als een denker wiens werk een aanvulling kon zijn op de ideeën van twee andere grote denkers uit de negentiende eeuw: Nietzsche en Freud.

Deze laatste twee namen onderstrepen een derde belangrijke karakteristiek van Marx: hij was een negentiende-eeuwse Duitse filosoof. Marx was gevormd door de idealistische filosofie van Hegel, die beschouwd kan worden als een geseculariseerde vorm van de heilsverwachting die centraal stond in het joodse en christelijke denken. De geschiedenis is niet een opeenvolging van gebeurtenissen, maar kent een plan, de geschiedenis gaat ergens heen. Omdat Marx atheïst was, bestond dit eindstation niet uit de komst van het Godsrijk, maar uit een ideale aardse samenleving.

Natuurwetten

De negentiende eeuw was echter de eeuw van de wetenschap, en Marx wilde vóór alles een wetenschapper zijn en geen vage dromer die hoopte op een betere wereld. Natuurkundigen en chemici ontrafelden de natuur en Charles Darwin toonde aan dat het leven op aarde zoals wij dat kennen niet in één klap door God geschapen was, maar het resultaat van een miljoenen jaren durend evolutionair proces – waarbij de meeste tijdgenoten er wel van uitgingen dat de mens het eindpunt van deze evolutie was. Marx wilde bewijzen dat de bestaande maatschappelijke verhoudingen evenmin ‘van God gegeven’ waren, maar dat ze eveneens het resultaat waren een bikkelharde strijd om het bestaan.

In het voorwoord van het eerste deel van Das Kapital, dat in 1867 verscheen, schreef Marx dat hij, zoals een fysicus de wetmatigheden in de natuur trachtte te ontraadselen, bloot zou leggen welke ‘natuurwetten’ ten grondslag lagen aan de ‘kapitalistische productie’. En bovendien wilde hij aantonen dat die „met ijzeren noodzakelijkheid werkende en geldende tendensen” zouden leiden tot de ineenstorting van datzelfde kapitalisme, waarna uit de as en puinhopen een socialistische samenleving zou oprijzen.

Abstract en wijdlopig

Das Kapital was een buitengewoon ambitieus, maar ook abstract en wijdlopig werk, dat lange tijd nauwelijks werd opgemerkt. Veel negentiende-eeuwse vakbondsleiders en linkse studenten uit de jaren zeventig van de twintigste eeuw die van mening waren dat ze dit boek móésten lezen, kwamen er dan ook nooit doorheen. Weliswaar bevat het roemruchte werk aangrijpende passages over de mensonterende arbeidsomstandigheden in het kapitalistische Engeland van die dagen, maar als economische studie vertoont het ernstige tekortkomingen.

De linkse studenten die vonden dat ze Marx móésten lezen, kwamen er niet doorheen

Centraal bij Marx staat de arbeidswaardeleer, waarbij hij trouwens voortbouwde op het werk van Adam Smith en David Ricardo. Deze leer houdt in dat de waarde van een goed uitsluitend wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die erin gestopt is. Behalve dat Marx geen rekening houdt met de invloed van de vraag, poneert hij deze theorie gewoon als stelling en onderbouwt hij haar niet, terwijl ze evenmin vatbaar is voor empirische toetsing.

Voor een economische theorie is dat laatste natuurlijk niet echt een aanbeveling. In dit opzicht was Marx’ theorie even metafysisch als Friedrich Hayeks geloof dat de prijzen die op de vrije markt tot stand kwamen een onfeilbaar telecommunicatiesysteem vormden, dat producenten en consumenten voorzag van alle informatie die ze nodig hadden om rationeel te handelen.

Daarnaast bleek Marx’ stelling dat de kapitalistische productiewijze steeds minder winstgevend zou worden evenmin te kloppen. De empirische onderbouwing van deze theorie – die inhield dat het kapitalisme aan zijn eigen tegenstrijdigheden ten onder zou gaan – zou geleverd worden in deel 2 en 3 van Das Kapital.

Ondertussen ging de daadwerkelijke ontwikkeling van de economie echter een andere kant op, zodat het voor Marx steeds moeilijker werd de feiten in zijn schema’s passen. De arbeiders kregen het niet steeds slechter, het kapitalisme liep niet op zijn laatste benen en het steeds groter wordende belang van de dienstverlenende sector viel met behulp van zijn arbeidswaardetheorie helemaal niet te verklaren.

De twee vervolgdelen verschenen pas in 1885 en 1894, terwijl Marx in 1883 was overleden. Ze werden voor publicatie gereedgemaakt door zijn grote vriend en strijdmakker Friedrich Engels, die voor deel 3 slechts kon beschikken over fragmentarische aantekeningen.

In feite is het ‘marxisme’ zoals wij dat kennen in hoge mate het werk van Engels en van een jongere generatie van socialistische theoretici. Van hen waren aanvankelijk Karl Kautsky en Eduard Bernstein de belangrijkste, maar ook auteurs als Victor Adler, Georgi Plechanov, Rosa Luxemburg en Vladimir Oeljanov, beter bekend als Lenin, droegen bij aan de vorming van een min of meer afgeronde wereldbeschouwing die, in grote delen van de wereld, een inspiratiebron vormden voor bewegingen die streefden naar een radicale ommekeer van de maatschappelijke verhoudingen.

Marx zelf bleek vrij huiverig voor het al te zeer systematiseren van zijn denkbeelden, en tegen het eind van zijn leven zei hij: „Als iets zeker is, dan is het dat ik zelf geen marxist ben.” Hij was weliswaar dol op grootse filosofische systemen, zoals dat van Hegel, en hij mocht in debatten zijn tegenstanders graag neerzetten als stompzinnige ezels die geen enkel benul van wetenschap hadden, maar hij was ook, en eigenlijk in de eerste plaats, een criticus en een journalist, iemand die zijn ideeën overal vandaan haalde en reageerde op wat er gebeurde.

Politiek denker

Het is dat aspect van Marx’ werk, dat uiteindelijk het meest waardevol bleek. De jonge Marx heeft immers reële kritiek geuit op de autocratische regimes die na de val van Napoleon in Europa de lakens uitdeelden; zijn beschrijvingen van mensonterende schaduwzijden van vroege fasen van de Industriële Revolutie zijn nog altijd indrukwekkend; zijn analyses van de teloorgang van de revolutie van 1848 en het aan de macht komen van Napoleon III waren onovertroffen; en hij heeft als politiek denker zeker een stempel gedrukt op de vroege socialistische beweging in Europa.

Bovendien heeft hij, samen met Engels, in het Communistisch Manifest een trefzekere en nog altijd actuele schets gegeven van wat wij tegenwoordig de moderniteit noemen:

„De voortdurende ingrijpende verandering van de productie, het ononderbroken aan het wankelen brengen van alle maatschappelijke toestanden en ten slotte de eeuwige onzekerheid en beweging kenmerken bij uitstek het tijdperk van de bourgeoisie. Alle stevige ingeroeste omstandigheden worden ontbonden, met in hun kielzog de oude eerbiedwekkende voorstellingen en opvattingen; alle opnieuw gevormde verouderen voordat ze kunnen verstarren. Alles wat op standen en op het bestaande berust verdampt; al het heilige wordt ontwijd en de mensen worden ten slotte gedwongen hun positie in het leven, hun wederzijdse betrekkingen, met nuchtere ogen te bezien.”

Marx was een heel interessante negentiende-eeuwer, die op een geheel eigen wijze reageerde op de onvoorstelbare omwentelingen die zich in die eeuw voltrokken. Dat hij lange tijd veel bekender was dan tal van andere, minstens even boeiende tijdgenoten, had echter twee oorzaken. Om te beginnen de al genoemde constructie van het ‘marxisme’, en vervolgens het feit dat in 1917 in Rusland een regime aan de macht kwam dat zich expliciet beriep op zijn ideeën.