Opinie

Fascinerend gevecht om Europese cashflow

Strijd om geld is strijd om macht. Woensdag presenteerde de Commissie-Juncker een Europese ontwerpbegroting voor 2021-2027: aftrap voor een hard en waarschijnlijk lang gevecht. Tijdens de vorige ronde ijlde de financiële crisis van 2008 nog na: nationale regeringen moesten thuis bezuinigen, dus kon er in Brussel geen geld bij.

Ditmaal gaat het economisch beter maar verstoort Brexit de sfeer. Het Britse vertrek slaat een gat van jaarlijks 13 miljard euro, terwijl de Unie tegelijk nieuwe taken krijgt. Met minder leden meer doen: dat wringt.

Juncker c.s. stappen losjes over dit probleem heen. De EU-uitgaven blijven in hun visie constant (circa 1,11 procent van het gezamenlijke bbp; de stijging in miljarden euro’s komt vooral door inflatiecorrectie), maar er klonk deze week geen woord over „minder leden, dus een kleinere clubkas”. Vandaar enig ongeloof in Den Haag, Stockholm en Wenen.

Vrijwel elke inhoudelijke keuze over de uitgaven – landbouw of innovatie; grensbewaking of klimaatbeleid? – leidt tot verschuivingen tussen landen.

Zeker zo fascinerend als de strijd om de uitgaven is die om de inkomsten. Hier spant het niet enkel tussen landen onderling, maar ook tussen lidstaten en EU-instellingen.

In de Federalist Papers (1787) schreef Alexander Hamilton, een van de Founding Fathers en grondlegger van het Amerikaanse financieel systeem: „Geld wordt met reden beschouwd als het vitale beginsel van elk politiek lichaam, als dat wat zijn leven en beweging schraagt, en in staat stelt de meest essentiële functies uit te voeren.”

Daarom beschouwde hij het vermogen om zich van een regelmatige en adequate aanvoer van geld te verzekeren, „voor zover de inkomsten van de gemeenschap het toestaan”, voor een staatsorde als onmisbaar. Want anders moest je in noodsituaties de bevolking plunderen (zoals in het Ottomaanse rijk) of verpieterde het centrale gezag (zoals de prille Amerikaanse unie overkwam).

Geen wonder dat Brussel graag een begroting wil die minder bestaat uit nationale afdrachten en meer uit geld dat rechtstreeks in de gezamenlijke kas stroomt, zonder tussenkomst van Den Haag, Berlijn of Madrid. Zulke inkomsten komen nu vrijwel alleen uit douaneafdrachten: handelsblok EU kent één ‘buitentarief’, dus is het redelijk heffingen in één pot te storten. Amerikaanse Chevrolets of Chinese teddyberen die Rotterdam binnenvaren, komen niet Nederland binnen maar de EU. De heffende lidstaat mag twintig procent inhouden, en dit percentage wil de Commissie nu halveren.

Eenzelfde versterking van centraal gezag zit in de financiering van een nieuw eurozone-schokfonds: de benodigde 30 miljard wil de Commissie weghalen bij centrale banken in de eurozone. Ook hiervan kun je zeggen: lokale uitvoering van een centrale functie, dus doorsluizen.

De droom van Commissie en Parlement is een echte EU-belasting – financiële emancipatie! Maar voor meer belasting krijg je de handen niet op elkaar. De strategie van de Europese fiscus in spe: pak de bad guys. Speculanten, vervuilers, belastingontduikers of andere rijkelui-zonder-publieke-steun. Maar een ‘financiële transactie-taks’ liep vast op praktische bezwaren, het idee voor accijns op kerosine strandde op de vliegtuiglobby. Uit dezelfde koker recente plannen voor een Europese ‘digitaks’ voor notoire weinig-betalers als Google en Apple. Kennelijk evenmin makkelijk uitvoerbaar; ook hier nationale weerstanden, maar het past bij broodnodig denken over nieuwe economische verhoudingen. Laat Europa daar meer denkkracht op zetten.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve).