Antichic in Rotterdam: eigenzinnig restaurant waar aards lekker gekookt wordt

Foto Walter Herfst

Ik moet er vaak zijn langs gefietst zonder te weten dat onder in de kopse kant van de wederopbouwflat aan de Korte Hoogstraat een restaurant is gevestigd. Nooit geweten ook dat het daar Soetensteeg heet. Maar enfin, zo heet deze straat en het ietwat verscholen restaurant op de hoek met het Steiger heet Antichic.

Malle naam, want wat is antichic en wat ben je als je antichic bent? Bij Van Dale weten ze van niets, maar voor ‘chic’ geven ze: ‘modieuze verfijning in uiterlijk voorkomen of sociaal gedrag = elegantie’. Daar zijn Ron van Beek en Ank van der Waal, het koppel achter Antichic, dus wars van. De vraag is wat we er van merken als we met enige schroom, dat wel, maar niet omdat we zelf zo chic zouden zijn, het pand betreden.

De eerste indruk is die van een bruin café: veel hout, spiegels, overal lichtjes, stoere tafels en stoelen, banken bekleed met koeienhuid. Eenmaal gezeten valt op dat geen bordje hetzelfde is; het woord dat zich opdringt is ‘allegaartje’, een beetje alsof we bij gedomesticeerde hippies op bezoek zijn. Op het etiket van een lege wijnfles lezen we het menu: drie gangen 37,50 euro, vier gangen 45, vijf gangen 52,50, zes gangen 59,50.

Door het raam, waarvan de vensterbank is volgestouwd met flessen, sommige voorzien van indrukwekkende namen, zien we hoe de toren van de Laurenskerk gloeit in het late zonlicht. Uit de luidsprekers klinkt oude soul en rhythm and blues.

„Jullie krijgen vanavond overal een verhaal bij”, zegt het meisje dat ons bedient. Het begint al bij het water dat uit een fles komt waar Earth op staat. De bubbels uit Saumur komen in een ouderwetse champagnecoupe, jenever drink ik uit een cognacglas. De amuse bestaat uit blaadjes witlof en truffelmayonaise, geserveerd in verschillende theekopjes van Engels porselein. De bite blijkt bij navraag afkomstig van gerookte tuinbonen en zonnebloempitjes.

De belofte wordt waargemaakt door het eerste gerecht dat door het meisje ‘ons groentetuintje’ wordt genoemd. Het verhaal is dat de samenstelling wisselt per seizoen. Dat levert nu groene en witte asperges, bloemkool, knolselderij, spinazie en venkel, alles kleingemaakt en in de vorm van een tegeltje op het bord gedresseerd met wat pesto eromheen en in sojasaus gebakken gamba’s erbovenop. De gamba’s zijn perfect gebakken en de groenten smaken fris, alles is beetgaar.

Wat we aan eventuele vooroordelen hadden, is nu wel verdwenen. Antichic wil niet zeggen dat er niet lekker wordt gekookt. Chef Ron van Beek staat in zijn eentje in de keuken, maar hij maakt allerminst een gestresste indruk. Hij weet dat hij behalve op zijn kookkunst kan vertrouwen op zijn ingrediënten: in het ene tussengerecht ribeye van geknuffeld rund uit Uruguay, in het andere steenbolk, een kabeljauwachtige uit de Noordzee. De vis gaat vergezeld van een vijf uur in olijfolie in de oven gegaarde aardappel en gewokte spinazie, het vlees met gedroogde oesterzwammen en een couscous van bloemkool.

Als we nog even terugkeren naar de definitie van chic: modieus is het niet wat we hier eten en verfijnd niet in de zin van crèmepjes en zalfjes of een torentje zo en een schuimpje zus. Dit is aards koken. Mijn vrouw vat het samen in één woord: eigenwijs. Of misschien zei ze: eigenzinnig.

Die eigenzinnigheid blijkt ook uit het hoofdgerecht dat hier altijd hetzelfde is: vers gemaakte pappardelle met truffel. Zijn liefde voor de truffel is er eigenlijk de oorzaak van dat Van Beek, na een carrière in de mode, de overstap maakte naar de keuken – weer zo’n verhaal.

Jammer dus dat bij dit pièce de résistance het tegenvallen van de truffeloogst zich laat gelden. De aardse smaak van de truffel blijft op de achtergrond, hoe goed de meegebakken bospaddestoelen ook hun best doen om dat te maskeren.

is journalist en culinair recensent.
    • Frank van Dijl