Column

Een Joodse vrouw met boekenliefde

‘Bij mijn boeken zoek ik troost en bemoediging.’ Het zijn de ontroerendste woorden die ik de afgelopen dagen las. Voordat u me van sentimentaliteit verdenkt, voeg ik er meteen aan toe dat ze afkomstig zijn uit Niets om het hoofd op neer te leggen, de oorlogsherinneringen van de Joodse boekverkoopster Françoise Frenkel (1889-1975). Het verscheen voor het eerst in 1945 in Zwitserland, maar werd niet opgemerkt en verdween. Zo kort na de oorlog zweeg men liever over al dat Joodse leed.

Zeventig jaar later dook in een kringloopwinkel in Parijs een exemplaar van dat vergeten boek op. Het werd in 2015 opnieuw uitgegeven en werd een literaire sensatie, niet alleen door het verhaal dat Frankrijk confronteerde met zijn collaboratie, maar ook door de literaire stijl van de schrijfster.

Het relaas van Frenkel is dat van een Poolse vrouw, die uit liefde voor de Franse literatuur in de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog naar Parijs verhuist om er letteren te studeren. Ze loopt stage in een boekhandel en richt in 1921, samen met haar man Simon Raichenstein, in Berlijn de eerste Franse boekhandel op, La Maison du Livre. De Berlijnse elite koopt er zijn boeken. Beroemde schrijvers treden er op.

Frenkel heeft een grote mensenkennis. Zo schrijft ze: ‘Aan de manier waarop ze een boek in hun handen hielden met een haast teder gebaar, voorzichtig de bladzijden omsloegen, ze lazen, met vrome aandacht, of haastig verder bladerden, achteloos, om het boek vervolgens terug te leggen op de tafel, soms zo slordig dat de hoeken, die zo kwetsbaar zijn, omkrulden, kon ik op de duur, kon ik op den duur een karakter, een gemoeds- of een geestestoestand aflezen.’

In Berlijn is ze ooggetuige van de opkomst van de nazi’s, die, eenmaal aan de macht, in haar winkel boeken van linkse schrijvers als André Gide in beslag komen nemen. Toch houdt ze het nog lang vol in Duitsland, al vlucht haar statenloze echtgenoot in november 1933 naar Frankrijk. In 1942 zal hij in Auschwitz worden vergast.

Na de Kristallnacht van 10 november 1938 houdt ze de deuren van haar winkel, die voor het nazi-vandalisme gespaard is gebleven, tijdelijk gesloten. Prompt krijgt ze een telefoontje van de Kamer van Koophandel, die haar gebiedt haar winkel alsnog te openen, omdat de regering bang is voor repercussies voor Duitse firma’s in het buitenland wanneer in eigen land buitenlandse winkels zouden sluiten, ook al zijn die van Joden.

Eind augustus 1939, een paar dagen voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, vertrekt ze op advies van het Franse consulaat naar Parijs. ’s Nachts neemt ze afscheid van haar winkel. Daarover schrijft ze: ‘Ik hield van mijn winkel, zoals een vrouw liefheeft, het was echt liefde’. Ze gaat alle planken langs, laat haar hand liefdevol over de ruggen van de boeken glijden, herleest de opdrachten van schrijvers die ze op bezoek heeft gehad. De volgende ochtend verlaat ze Duitsland.

En dan heb je nog maar 28 bladzijden van haar boek gelezen. De rest van haar herinneringen gaat over haar lotgevallen in Vichy-Frankrijk. De gendarmerie, geïndoctrineerd door nazi-propaganda, houdt er een permanente mensenjacht op Joden. Het is een verhaal vol lafheid en heldendom, dat verder aan kracht wint doordat Frenkel na de publicatie van haar boek verdwijnt in de mist van de geschiedenis.