De provo’s voelden ver weg

Wim Schalken was 18 in 1968. De Black Power-groet van zwarte winnaars op de Olympische Spelen maakte grote indruk op hem. Dat zijn eigen vader datzelfde jaar werd ontslagen, ontging hem.

Tekst
Foto: privé bezit

Gepensioneerd inkoper-glasfabriek Wim Schalken (18, rechtsachter) stond op 28 maart 1968 samen met broers Jos (15, linksachter) en Theo (13, linksvoor) en zus Tineke (10, rechts) in de achtertuin van het ouderlijk huis op de Mangrove-straat 16 in Tilburg.

„Het was de dag van de begrafenis van onze grootmoeder van vader’s kant. Onze vader was ober. Na een leven als vrijbuiter op de Holland-Amerika-lijn ontmoette hij mijn moeder in het Eindhovense café Trocadero. Getrouwd in februari 1945 werd hij pachter van de stationsrestauratie in Weert, mijn geboorteplaats. Als oudste had ik privileges: tafel en kledingkast in de jongenskamer waren voor mij. Maar ik was ook verantwoordelijk voor het gedrag van mijn broers. Omdat ze daarvan slim gebruik maakten, botste dat. Het maakte mij zelfstandig.

Herfst 1967 was ik na de HBS aan een studie sociologie begonnen. Makkelijk, dacht ik. We woonden inmiddels in een nieuwbouwwijk in Tilburg. Vader was trots op ons middenstandsbestaan. De vrijheid van studeren kon ik niet aan, ik wilde geld verdienen. Ik zocht vertier in de stad en ging werken als pompbediende. Dat afzetten zie ik in de foto. Mijn broers en zus poseren geduldig, ik met tegenzin. De maatschappelijke veranderingen speelden een rol. Boudewijn de Groot durfde te zingen wat wij dachten. Toch voelden de Amsterdamse provo’s, de Vietnam-oorlog of de dood van Martin Luther King ver weg. Dat was anders met de Olympische Spelen in Mexico. Na mijn werk keek ik ’s nachts. Voor de 200 meter met de Black Power-groet door de Amerikaanse winnaars had ik nog een frietje mèt gehaald. Die opgestoken vuisten maakten indruk. Al verbond ik er geen persoonlijke conclusies aan. Onlangs ontdekte ik in oude papieren dat mijn vader in 1968 werd ontslagen en pas na enige tijd werk vond bij een slijterij. Als 51-jarige moet dat lastig zijn geweest. Toch heb ik daar nooit iets van gemerkt. Terugkijkend vind ik dat bewonderenswaardig.”