De invasieve Japanse oester heeft ook zijn goeie kanten

Biologie

Het oprukken van de Japanse oester in Nederland is met argwaan bekeken. Maar de oesterbanken bieden de inheemse mossel juist bescherming tegen vogels.

Foto iStock

Een waadpak vol krassen hangt in de werkkamer van Andreas Waser, op het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee. Diepe kerven in de profielzolen en de zijkant van de laarzen. Als de sneetjes nog iets dieper worden, sijpelt er zo water langs naar binnen. En dat terwijl een waadpak – een combinatie van overall en rubberlaarzen – juist bedoeld is om water uit te sluiten.

„Ik had elk half jaar een nieuwe nodig, hier op Texel”, zegt Waser. „Dat krijg je als je Japanse oesters bestudeert. Die schelpranden zijn vlijmscherp.”

Ook zijn vingers haalde hij regelmatig tot bloedens toe open. „Het zal me niets verbazen als ik er een paar littekens aan heb overgehouden.”

Luister ook naar deze aflevering van onze wetenschapspodcast Onbehaarde Apen, over invasieve exoten.
U kunt zich ook abonneren via iTunes, Stitcher, Spotify of RSS.

Vrijdag 13 april promoveerde Waser aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Eigenlijk waren de Japanse oesters ‘bijvangst’– zijn hoofdonderwerp was de predatie van mossels in de Waddenzee door strandkrabben en vogels. Maar het lot van de mossel lijkt sinds een paar decennia onlosmakelijk verbonden met dat van de Japanse oester. Een invasieve exoot, net als de Amerikaanse vogelkers, de reuzenbalsemien, de halsbandparkiet en het Aziatisch lieveheersbeestje. Plant- en diersoorten die hier niet van nature thuishoren, maar zich wel met succes gevestigd hebben – vaak ten koste van inheemse soorten.

Ook de zegetocht van de Japanse oester (Magallana gigas) is de afgelopen decennia met argwaan bestudeerd. Toch betekent de komst van deze exoot niet alleen maar slecht nieuws.

Zo ontdekte Waser dat mosselen die samenleven met Japanse oester een grotere overlevingskans hebben dan mosselen in pure mosselbanken. De tot dertig centimeter grote oesters bouwen metershoge riffen waarin mosselen zich kunnen verschuilen voor scholeksters en andere vijanden, zoals eidereenden, zilvermeeuwen en strandkrabben.

Waser: „Zelf verdrinken de oesters nog weleens in hun eigen slib, maar mosselen zijn zo mobiel dat ze bij een te hoge slibproductie naar een plekje hoger op de bank verhuizen.” Daar zijn ze in theorie kwetsbaarder voor loerende vogels, maar ook dat valt mee: scholeksters blijken die mossels van gemengde banken sowieso niet echt te blieven. Mogelijk omdat ze relatief ‘mager’ zijn. Waser: „Mosselen op gemengde banken zijn minder vlezig omdat ze om voedsel moeten concurreren met de oesters.”

Magere mosselen

Toch hebben mosselen niet alleen maar baat bij de oesters, benadrukt hij. Mogelijk planten de magere mosselen op de gemengde banken zich minder snel voort, en dat kan nadelig zijn voor de hoeveelheid mossellarven. „Het is een trade-off: minder eten en minder nakomelingen produceren maar wel blijven leven, of veel eten en vervolgens het risico lopen opgegeten te worden. Allebei niet ideaal.”

Dat er überhaupt Japanse oesters in Nederland leven, hebben we aan onszelf te danken. In de jaren zestig werd de soort naar Zeeland gehaald door kwekers. Waser: „Met de Nederlandse platte oester ging het slecht vanwege een oesterziekte, en dus hoopten de Zeeuwen dat de Japanse exemplaren sterker zouden zijn.” Kwaad zou het niet kunnen, dachten ze: de Nederlandse wateren waren toch niet warm genoeg voor de exotische soort om zich voort te planten. Wishful thinking, bleek in de jaren 70: de Japanse oesters vermeerderden zich in rap tempo, en in 1983 kwamen de eerste exemplaren in de Waddenzee bij Texel terecht. De schelpen kwamen ongezien mee met een partij platte oesters (Ostrea edulis). Tegelijkertijd begonnen oesterkwekers in de Duitse Waddenzee ook de Japanse exoten te introduceren. Waser: „Volwassen oesters leven in oesterbanken, maar in de eerste weken van hun leven hebben ze net als jonge mossels een planktonische fase: dan worden ze door de stroom meegevoerd. Zo kunnen ze nieuwe gebieden koloniseren. Rond 1998 werden de eerste Japanse oesters in de oostelijke Waddenzee gesignaleerd.”

In de jaren 80 en 90 ging het tegelijkertijd extreem slecht met de mosselen in Noordwest-Europa, door overbevissing en door een gebrek aan ‘broedval’: het settelen van jonge mossels in de mosselbanken waar ze hun volwassen leven zullen doorbrengen. Waser: „Zulke natuurlijke fluctuaties in broedval zijn heel normaal, maar in combinatie met de overbevissing zorgde het voor een snelle teruggang in het aantal mosselbanken. Dat was een groot probleem voor mosseletende vogels als scholeksters en eidereenden – die stierven massaal.”

En toen kwam dus ook die invasieve oestersoort de Waddenzee veroveren. Mosselkwekers en onderzoekers hielden hun hart vast. „Op het substraat van oude mosselbanken in de westelijke Waddenzee begonnen zich vanaf pakweg 2003 steeds meer oesterbanken te vestigen. Japanse oesters kunnen beter toe met een gebrek aan voedsel dan mossels, dus iedereen dacht: die vreten alles op en concurreren zo de mossel weg.”

Rechterop en verder uit elkaar

Maar er gebeurde iets anders. Waser ontdekte dat Japanse oesters andere banken vormen dan platte oesters. Ze staan rechterop (vandaar de vele sneetjes in het waadpak) en soms verder uit elkaar. En tussen die grillige vlijmscherpe oesterschelpen is ook plaats voor mosselen. „Oesters kunnen ook helpen bij de vestiging van nieuwe schelpdierbanken. Het kost ontzettend veel tijd en geld om oesters van de bodem te verwijderen, dus waarom zou je ze niet laten liggen? Dan kunnen ze in theorie tenminste dienen als substraat voor mosselen.”

In de praktijk blijken er weinig nieuwe pure mosselbanken te ontstaan, en transformeren vooral veel oesterbanken in gemengde banken. Waser: „Het is een complexe zaak, want we weten bijvoorbeeld nog niet welke consequenties het voor de scholeksterpopulatie zou hebben als er op den duur vrijwel alleen nog maar gemengde banken zijn. Anderzijds kan een toename in gemengde banken betekenen dat er relatief veel mosselen tot wasdom komen, waardoor je ook weer meer kans hebt op jonge mosselen die zich ergens gaan vestigen.” Zo’n toename in broedval zou mogelijk zelfs ertoe kunnen leiden dat er ook weer meer pure mosselbanken ontstaan. Waser: „In 2016 was de broedval in de Waddenzee weer opvallend hoog, en in het voorjaar van 2017 had je maar liefst 4.000 hectare mosselbanken, een verdubbeling van een aantal jaren eerder. Het grootste deel daarvan bevond zich in de westelijke Waddenzee, juist waar mosselen zich voorheen maar moeilijk konden vestigen. Maar het is nog te vroeg om garanties te geven voor de toekomst.”

Dat de wisselwerking tussen inheemse mosselen en exotische oesters nog niet zo eenduidig is, blijkt ook uit het onderzoek van Anouk Goedknegt. Zij promoveerde afgelopen najaar aan de Vrije Universiteit Amsterdam op parasitisme in de Waddenzee, met een speciale focus op de Japanse oester. „Die heeft uit Japan de invasieve parasiet Mytilicola orientalis meegebracht. En die parasiet is nu overgesprongen naar inheemse soorten: naar de mossel, en in mindere mate naar de kokkel en het nonnetje. De parasiet leeft in de darmen en voedt zich zowel met mosselvlees als met de maaginhoud van de mossel: algen. De mossels worden minder vlezig, maar blijven wel leven. Anders heeft de parasiet niets meer aan ze.”

Maar de Japanse oesters kunnen op parasitair gebied ook voordelen opleveren, benadrukt Goedknegt. „Ze kunnen parasieten uit het water filteren die van de ene naar de andere gastheer onderweg waren. Sommige parasieten hebben complexe levenscycli waarin ze drie verschillende gastheren gebruiken, bijvoorbeeld een slak, een mossel en een vogel. Als ze van slak naar mossel zwemmen, zijn ze dus kwetsbaar en kunnen ze opgegeten worden door de oester.” Goedknegt ontdekte ook dat het vluchtgedrag van de mosselen tussen de oesterschelpen, zoals Waser omschreef, kan leiden tot minder infecties met bepaalde parasieten. De oesters zorgen dus niet alleen voor bescherming van mosselen tegen predatie maar ook tegen parasitisme.

Goedknegt: „Tot nu toe ziet het er voor de mosselen niet slecht uit. Ik denk niet dat de effecten van de invasieve parasiet in de toekomst verergeren. Ik denk eerder dat de mossel gewend raakt aan de parasiet. Het is vaak zo bij een parasieteninvasie dat je eerst een grote piek in het percentage geïnfecteerde inheemse soorten ziet. Na een aantal jaren zakt die piek, de inheemse soorten passen zich aan.”

Waser: „De oester is hier nu eenmaal en zal zo snel niet meer weggaan. Dan kunnen we er maar beter ons voordeel mee doen. Biologisch afbreekbare kratten die nu worden gebruikt bij het herstel van mosselbanken zou je zelfs kunnen vervangen door Japanse oesterriffen. If you can’t beat them, join them.”