Opinie

    • Frits Abrahams

De dichters en de doden

Er is ook dit jaar alweer zoveel beweerd over de Dodenherdenking dat ik vandaag wil volstaan met drie gedichten over de Holocaust die meer zeggen dan al die woorden.

Ik begin met ‘Omdat ik weten wou waar Sally zat’ van Gerard den Brabander (1900-1968). Hij schreef het in 1944. Zijn poëzie was vaak vervuld van bijtend pessimisme, maar later klonk er meer melancholie in door. Hij publiceerde tal van bundels clandestien.

Omdat ik weten wou waar Sally zat,

zwierf ik erheen en vond er vrouw noch kind.

Venijnig danste en pijpte er de wind

en sloeg een roffel op het vuilnisvat.

En voor het huis, dat zelfs geen tranen had,

alleen maar huiverde tot op ’t gebint’,

zag ik door lege kamers over ’t grind

van de achtertuin een trage, klamme rat.

Toen keek ineens de zon op. Koud en stug

rustte haar blik op mij en op de stad.

De wind sprong mij uitdagend op de rug

en hield mij sarrend bij het haar gevat

en vocht mij voort over de Magere Brug,

omdat ik weten wou waar Sally zat.

Maurits Mok (1907-1989) is een ten onrechte vrijwel vergeten Joodse dichter, wiens werk doordrenkt is van een besef van vergankelijkheid (‘Soms lijkt de stilte hier al op die latere’) en van mededogen met de verdrukten, zoals de Joden in de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in 1962 bekroond met de Henriëtte Roland Holstprijs. Dit gedicht heet ‘Treblinka’.

Treblinka, martelput in Polen.

Achthonderdduizend mensen met de grond

gelijkgemaakt. Een wolk van angst

dreef in de hemel weg. Er bleef alleen

een vleugellam geritsel, monoloog

van de vergetelheid die knaagt

aan het versteende bloed.

De dichter C.O. Jellema (1936-2003) groeide op in Beilen, waar zijn vader predikant was. De pastorie stond aan de spoorlijn waarover de gevangenen vanuit kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd werden.

Zijn gedicht ‘Langs Beilen’ is een van de aangrijpendste Nederlandse gedichten over de Holocaust. „Er werd thuis niet over gepraat”, zei hij er later over. „Maar ik zie dat beeld nog voor me, mijn broer heeft die treinen ook gezien.”

Uit een boek kijk je op naar ’t huis altijd,

nog staande tussen beuken en platanen,

om je, een flits, diep in die tuin te wanen,

wanneer je in de sneltrein er langs rijdt.

Abstracties van een jeugd in zonnebanen

over dat grasveld en die witte geit,

herinnerd nu het kind van toen benijd:

in spel verloren de voorgoed gegane.

Zo keek het eens, ’t was oorlogstijd, het lag

met griep, over die tuin heen naar de treinen.

Uit veewagons staken soms bleke handen.

Het had een boek om zelf in te verdwijnen

op een driemaster naar tropische landen,

woof nooit weerom, en wist niet wat het zag.

    • Frits Abrahams