Recensie

De Jodenvervolging in Nederland ontraadseld

Jodenvervolging Hoe kon driekwart van alle Joden in Nederland worden vermoord in de Tweede Wereldoorlog? Op deze vraag geeft de Duitse historica Katja Happe een veelomvattend antwoord in een meesterwerk.

Joodse Nederlanders in Amsterdam op weg naar concentratiekamp Westerbork, 1942-44 Foto Bettmann Archive/Getty Images

‘Was dan niemand in staat aan wat met ons gebeurde een halt toe te roepen? Hoe kon de wereld tolereren dat wij, rechtschapen burgers van Nederland, als uitschot werden behandeld?’ Aldus Jules Schelvis (1921-2016), een van de negentien Nederlandse overlevenden van het in Polen gelegen vernietigingskamp Sobibor, waar meer dan 34.000 Joodse Nederlanders werden vermoord, onder wie zijn vrouw. Ze waren anderhalf jaar getrouwd.

Schelvis’ vertwijfelde uitroep vormt al sedert 1945 dé grote morele en historische vraag: hoe kon het dat uit een beschaafd land een hele bevolkingsgroep werd weggehaald en vermoord zonder dat de wereld ingreep?

In haar voorbeeldige, zojuist vertaalde studie Veel valse hoop zet de Duitse historica Katja Happe (1970) de cijfers nog eens onverbiddelijk op een rijtje. Van de 140.000 personen die door de Duitsers als Jood waren geregistreerd, werden er 102.994 gedeporteerd naar kampen als Auschwitz, Mauthausen en Sobibor. Van hen keerden er zo’n vijfduizend terug. De deportaties vereisten ruim honderd transporten in iets meer dan twee jaar; het eerste vertrok op 15 juli 1942 uit Westerbork, het laatste op 3 september 1944.

Was onwetendheid de reden dat er niet werd ingegrepen? Nee. Nadat de eerste berichten omtrent de moord op de Joden maandenlang op een muur van ongeloof waren gestuit, beseften de geallieerden in elk geval in december 1942 wat de Joden te wachten stond.

Schelvis’ vraag kent geen simpel antwoord. Bij dit onderwerp is elke simplificering al gauw een vervalsing. Ook Happe geeft zo’n eenvoudig antwoord niet. Haar grote verdienste is dat ze in haar vuistdikke boek het vele detailonderzoek van de laatste decennia weet samen te brengen in een omvattend verhaal.

Schok

De aandacht voor de Jodenvervolging is sedert de bevrijding niet constant geweest. Na een korte periode van belangstelling voor kampoverlevenden raakte de Tweede Wereldoorlog na 1948 uit de aandacht. Bovendien draaide het herdenken meer om de bezetting van de natie dan om de racistische moord op een bevolkingsgroep. Dat veranderde vanaf midden jaren zestig. In Nederland veroorzaakte de verschijning in 1965 van Jacques Pressers Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 een schok. Internationaal deed zich een soortgelijke ontwikkeling voor. Langzaam werd de ‘holocaust’ (een term die ingang vond na de in 1978 onder die titel uitgezonden Amerikaanse televisieserie) tot de kern van de Tweede Wereldoorlog. Over een synthese van het vele sedertdien verrichte onderzoek beschikten wij nog niet.

Happe bekijkt de massamoord op de Nederlandse Joden in de brede context van de internationale verhoudingen en de ontwikkeling van de oorlog. Nieuw is ook dat ze het uitblijven van redding analyseert vanuit het perspectief van uiteenlopende betrokkenen: de Nederlandse regering in Londen, de diverse Joodse hulporganisaties, de Duitse bezetter, de nazi-top in Berlijn, en niet in de laatste plaats de vervolgden zelf, wier angst, hoop en onzekerheid ze via dagboekfragmenten indringend voelbaar maakt.

En passant ruimt de auteur enkele bakerpraatjes uit de weg, zoals dat de NSB niet antisemitisch was. Dat was ze wel. Daarentegen was de Nederlandse bevolking, waarvan ook wel eens gemakzuchtig-cynisch wordt beweerd dat die ‘eigenlijk’ antisemitisch was, dat in het algemeen juist niet. Dat neemt niet weg dat gevluchte Duitse Joden in de jaren dertig weinig hartelijk werden verwelkomd. Het betekende evenmin dat het breed gevoelde mededogen met de Joden werd omgezet in daadwerkelijke reddingsacties. De executie van enkele Februaristakers in 1941 had afdoende duidelijk gemaakt dat verzet tegen de Jodenvervolging keihard werd afgestraft.

Dat in Nederland geen sprake was van een rabiaat antisemitische traditie maakt het des te raadselachtiger dat juist uit ons land het hoogste percentage Joden werd vermoord van alle West- en Noord-Europese landen: vijfenzeventig procent. Onder historici is dit ‘de Nederlandse paradox’ gaan heten. Voor die paradox zijn diverse verklaringen geopperd. Zo speelde het toevallige feit een rol dat in ons land geen militaire bezettingsmacht werd geïnstalleerd maar een verbeten, door rassenhaat gedreven burgerlijk bestuur. Dan was er de traditionele gezagsgetrouwheid. De secretarissen-generaal (de hoogste bestuursambtenaren), die na het vertrek van koningin Wilhelmina en de regering naar Londen aan het roer stonden, gingen met hun zwakke protest tegen de anti-Joodse maatregelen, dat bovendien binnenskamers bleef, de bevolking bepaald niet voor in een manhaftig verzet. Verder was het verloop van de oorlog een factor. Pas toen er na de Duitse nederlaag bij Stalingrad in februari 1943 eindelijk hoop gloorde op een geallieerde overwinning, kwam het verzet zodanig op gang dat er meer onderduikplekken beschikbaar kwamen, maar toen waren er al 50.000 Joden gedeporteerd.

Veel gewicht kent Happe toe aan het stug volgehouden gelijkheidsdenken van de Nederlandse regering. ‘Nederland kent geen Joods vraagstuk’, lieten de secretarissen-generaal de bezetter in mei 1940 weten. Die kende zo’n vraagstuk wel en had ook een oplossing. Het fraaie, door links en rechts hooggehouden beginsel dat ons land ‘geen Nederlandse Joden maar alleen Joodse Nederlanders kent’, werd door de realiteit pijlsnel tot loze kreet gemaakt. Toch hield de regering vast aan het principe dat Joden niet door specifieke maatregelen als aparte slachtoffers behandeld moesten worden.

Niet alleen de regering worstelde met het gelijkheidsdilemma, illustreert Happe met een citaat van de naar Londen ontkomen VARA-journalist Meyer Sluijser. Volgens hem zouden ‘de Joodse Nederlanders zelf niet wensen, dat wij [...] de indruk wekten als zouden ook wij hen beschouwen als een op zichzelf staande groep in de Nederlandse volksgemeenschap. Deden wij zulks, dan zouden wij voet geven aan het streven van de vijand en dat wenst niemand [...].’

Quota

Terwijl de illegale pers het lot dat de Joden in het oosten wachtte in alle duidelijkheid aan de orde stelde, bleef voor Londen de militaire overwinning op nazi-Duitsland het eerste doel, net zoals dat voor de geallieerden gold. Happe maakt de kortzichtigheid van dat standpunt overtuigend duidelijk. Tegelijk toont haar bittere reconstructie hoe moeilijk het is om iets te ondernemen tegen een gewetenloze, doelbewuste, ideologisch gedreven vijand.

Toen zich op de oproepen voor tewerkstelling te weinig Joden meldden voor de door Berlijn vereiste quota en ook razzia’s onvoldoende opbrachten om de treinen uit Westerbork te vullen, zette de bezetter Nederlandse politieagenten in om de Joden uit hun huizen te halen. ‘En zo zullen de volgende avonden één en al zwartheid en angst zijn,’ schreef Sam Goudsmit in zijn dagboek. ‘Alle geluid buiten het huis… en als de bel zou gaan….!’

De quota werden gehaald. ‘De transporten van de Joden uit Nederland zijn [...] vlekkeloos verlopen,’ rapporteerde een Duitse beambte in januari 1943 uit Den Haag aan Berlijn.

Pogingen om Joden vrij te kopen of uit te ruilen liepen stuk op moeizame communicatie, onderlinge concurrentie en de formele redenering van de regering dat er niet gehandeld werd met de vijand. Maar zelfs als die obstakels waren overwonnen, dan nog hadden de Duitsers waarschijnlijk met emigratie niet ingestemd, stelt Happe. Complete uitroeiing was nu eenmaal hun doel, tot de laatste baby en grijsaard aan toe. Om te voorkomen dat ouders in uiterste wanhoop hun zuigelingen het leven zouden redden door ze op straat achter te laten, verklaarde de bezetter alle vondelingen tot Jood. ‘In Europa zal geen Jood meer overblijven’, constateerde Generalkommissar Hanns Albin Rauter in maart 1943 tevreden.

Onderschatting

Happes studie is in aanzet geschreven voor Duitsland. Viele falsche Hoffnungen heet het daar. Hoop in meervoud. Steeds weer klampten de weerloze vervolgden zich vast aan nieuwe glimpjes hoop. Dat het nu wel snel voorbij zou zijn bijvoorbeeld. Een invloedrijke bron van valse hoop was de door de bezetter in februari 1941 ingestelde Joodse Raad, die het devies hanteerde: ‘Meewerken om erger te voorkomen’. Dat fatale devies viel in vruchtbare bodem. Als geïntegreerde, geassimileerde burgers, die zichzelf allereerst als Nederlanders zagen, onderschatten veel Joden het gevaar. Toen zij door de nazi’s als ‘Joods’ werden gedefinieerd, moesten zij elk voor zich beslissen hoe zij zichzelf en hun dierbaren konden redden. Doordat de Joodse Raad de illusie voedde dat er in ‘het oosten’ dwangarbeid moest worden verricht, hield zij vervolgden af van stappen om op tijd te vluchten of onder te duiken.

En dan ging het allemaal ook nog razendsnel: het proces van uitsluiting en ontrechting dat in Duitsland acht jaar had gekost, was hier in luttele maanden voltooid. Eind februari 1941 werden de Joodse ambtenaren ontslagen; zomer 1941 waren parken, horeca en zwembaden voor Joden verboden; ingevolge de LIRO-verordening van augustus 1941 moesten de Joden hun vermogen inleveren bij de bank Lippmann, Rosenthal & Co; in april 1942 werd de gele ster ingevoerd.

Bedrieglijk was ook het systeem van ‘Sperren’. De bezetter vrijwaarde in het begin groepen Joden van deportatie: medewerkers van de Joodse Raad, gemengd gehuwden, gedoopten, diamantbewerkers, bezitters van een ‘Palestinacertificaat’, Portugese Joden, prominenten. Het leek derhalve een levensreddende strategie om te zorgen op zo’n lijst te komen. Helaas bleken de ‘Sperren’ maar tijdelijk.

Een van de moeilijkheden bij het doordenken van de periode 1940-1945 is dat wij de afloop kennen. Wij weten dat de nazi-opzet slaagde en dat de oorlog nog tot mei 1945 duurde. Tijdgenoten wisten dat niet. Gezien vanuit de rampzalige uitkomst ligt onderduiken voor de hand. Maar het was een enorme beslissing – áls de mogelijkheid zich al voordeed. Het was een keuze voor een illegaal bestaan, opgesloten, onder een andere naam, in volkomen afhankelijkheid van vreemden, die door jou risico’s liepen, zonder enig uitzicht op hoelang deze logeerpartij onder doodsdreiging ging duren, en met bovendien voortdurend het risico van verraad. Van de naar schatting 28.000 ondergedoken joden werden er, voor zover bekend, nog 12.000 gepakt.

Katja Happe heeft een gigantisch onderwerp aangedurfd. Het resultaat is een meesterwerk. Rustig, analytisch, toegankelijk, glashelder en zonder zich door ideologische hobby’s te laten afleiden, baant zij zich een weg door een onvoorstelbare hoeveelheid oud en nieuw materiaal. Veel valse hoop zal de komende jaren ook in Nederland het standaardwerk vormen over de nazimoord op de Joodse Nederlanders.

    • Jolande Withuis