Opinie

Voorkom heksenjacht op salafisten

Na publicaties over buitenlandse financiering van moskeeën, barst opnieuw een discussie los over het salafisme in Nederland. Hoog tijd voor wat feiten en bezinning, betoogt . „Salafisten zijn niet heel anders dan orthodoxe joden.”

Nieuwsuur en NRC onthulden documenten met bedragen die vanuit Golfstaten zouden zijn uitgekeerd aan Nederlandse moskeeën. Goed dat er zicht op deze geldstromen komt. Dat de overheid dit zou hebben achtergehouden, lijkt mij een politieke rel op zich, maar daar gaat het mij niet om.

Mij baart het zorgen met hoeveel gemak de term ‘salafist’ wordt gebruikt, en daarmee moskeeën en personen worden gelabeld. We moeten oppassen dat we geen fake news creëren of heksenjachten beginnen tegen mensen en instellingen op ‘de lijst’. Dus laten we, voordat de storm over de geldstromen echt voluit gaat, eerst de feiten op een rijtje krijgen: waar is het geld voor bedoeld, over welke ‘invloed’ hebben we het, wat is ons probleem met ‘salafisten’?

Eerst het geld. De lijsten noemen bedragen en instellingen. In Nieuwsuur bleek al dat dit niet bij voorbaat een weergave van de werkelijkheid hoeft te zijn: sommige instellingen erkenden dat zij die bedragen hadden aangevraagd maar nimmer ontvangen, andere instellingen ontkenden de aanvragen. Klopt dat, of jokken zij? We weten niet wat waar is, dus daar is voorzichtigheid geboden.

Dan de invloed van het geld. In een land als Nederland, waar religieuze gemeenschappen niet op staatssteun hoeven te rekenen voor de bouw van gebedshuizen, is het niet vreemd dat minderbedeelde religieuze gemeenschappen ook buiten de grenzen kijken. De vraag is dan of ze met dat geld ook andere zaken in huis halen. Is er de verplichting om een bepaald gedachtegoed uit te dragen, komt met het geld verplicht leermateriaal mee, of is het bedoeld om door de donor aangewezen predikers in te vliegen?

Strenggelovig en toch onafhankelijk

Het is natuurlijk mogelijk dat bepaalde moskeeën een islam prediken die overeenkomt met die van de gulle geldgever in een Golfstaat. De donor hoeft dan niet meer te doen dan geld te geven aan gelijkgezinden, zodat het gedachtegoed daarmee breder wordt uitgedragen. Ik vermoed dat onze geheime diensten zich vooral daarover zorgen maken.

Toch stelde de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in 2009 vast dat het extremistisch gedachtegoed juist „actief door moskeeën werd geweerd”. Een aantal jaren later, in 2015, constateerde de geheime dienst, in een gezamenlijk rapport met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), dat „vele” en „de meeste” salafisten het strikte gedachtengoed van het salafisme niet toepassen. Bevindingen die worden ondersteund door de wetenschappelijke literatuur over salafisme in Nederland.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat er nog steeds reden tot zorg is. Want laten we duidelijk zijn: de Saoedische en Koeweitse opvattingen over hoe moslims zich moeten verhouden tot elkaar en tot de samenleving komen niet altijd overeen met die van Nederland, om het zacht uit te drukken. Import van zulk gedachtengoed mag daarom rekenen op enig wantrouwen.

Maar toch: de wijze waarop men vandaag de dag te hoop loopt tegen het ‘salafisme’ in Nederland, doet geen recht aan wat er werkelijk gebeurt onder dat paraplubegrip. ‘Salafisme’ wordt zonder meer negatief gebruikt, en slaat op moslims die zich, vanuit een puriteinse visie op de islam, onverdraagzaam opstellen naar andersdenkende medemoslims en naar Nederland in het algemeen.

Ze studeren hard, willen graag een goede baan, trekken zich de zorgen over polarisatie aan, voelen zich Nederlander

Zaak is om deze onverdraagzamen te onderscheiden van degenen die vanuit dezelfde puriteinse visie tot andere opvattingen komen. Het betreft veelal jonge, zeer vrome mensen, die zich daarnaar kleden en gedragen, maar tegelijk ook deelnemen aan onze maatschappij: ze studeren hard, willen graag een goede baan, trekken zich de zorgen over polarisatie aan, voelen zich Nederlander.De vrouwen onder hen zien zichzelf nogal eens als feminist: ze zijn diepgelovig en streng gekleed, maar wel onafhankelijk in hun keuze van studie, werk, politiek en partner.

We hebben het dus over een groeiende groep Nederlandssprekende moslims die het hier willen maken. En ja, veel van hen komen naar moskeeën die te boek staan als ‘salafistisch’. Nieuwsuur toonde een Saoedische prediker die in één van deze moskeeën sprak over de ongelijkheid van man en vrouw, en het islamitische verbod op verjaardagen en andere niet-islamitische feesten.

Maar deze persoon is niet representatief voor de grote groep jonge Nederlandse ‘salafisten’: ten eerste spreken zij Nederlands (en zullen zij het Arabisch van de prediker niet verstaan), ten tweede voeren zij onderling hun eigen discussie over de (on)wenselijkheid van dit soort kwesties.

Deze ‘salafisten’ zijn niet heel anders dan de orthodoxe joden en christenen die wij kennen in Nederland: in eigen gemeenschappen, maar deel van Nederland. De vraag die wij moeten beantwoorden over de ‘lijsten’ is of, en hoe, die geldstromen een negatieve invloed hebben op deze groep salafisten. Als het gaat om die andere, kleiner wordende groep onverdraagzamen, dan hoop en vermoed ik dat onze overheidsdiensten die al veel langer in de gaten hebben, met of zonder lijst.