Recensie

Vallen en opstaan in voorstelling van Ballet Vlaanderen

Dans In ‘Kaash’ brengen de panterachtige Juliano Nunes en de messcherpe Nancy Osbaldeston ook de fijnproevers naar het puntje van hun stoel.

Beeld van de choreografie ‘Ten Duets on a Theme of Rescue’. Foto Filip van Roe

Uit de as herrijzen, vernietigen en vernieuwen, falen en gered worden. Het is een thematiek die past bij een gezelschap in transitie als Ballet Vlaanderen. Sidi Larbi Cherkaoui, dé smaakmaker van het hedendaagse circuit en sinds ruim twee jaar artistiek leider, voert een tweesporenbeleid en vult het klassieke en neo-klassieke repertoire aan met hedendaags werk van eminente choreografen, onder wie Pina Bausch, Martha Graham, Hans van Manen en, dit keer, de Brits-Bengaalse Akram Khan en de Canadese Crystal Pite.

Het bondige werk van Pite (twaalf minuten), die ook vaste gastchoreografe is bij het Nederlands Dans Theater, is artistiek het meest bevredigend. In Ten Duets on a Theme of Rescue zet Pite met forse streken en grote bewegingen wisselende stemmingen neer, stemmig belicht door tien verplaatsbare spots. Vallen, steunen, ineenstorten en optrekken zijn terugkerende bewegingsmotieven. Het reddingsthema is het sterkst herkenbaar in een even simpele als fraaie miniatuur: wanhopig reikend klampt een man zich vast aan een langzaam voortschrijdende vrouw. Wie hier wie redt, blijft in het midden.

Kaash was in 2002 het eerste groepswerk in de stijl die kathak-ster Akram Khan ontwikkelde: contemporary kathak, hedendaagse bewerking van klassieke Indiase dans. Ballet Vlaanderen brengt een ingekorte versie, en nog meer dan de choreografie is het de kwaliteit van de uitvoering die verrast. Die is opmerkelijk strak, flitsend en exact – kenmerken van de kathak – maar ook soepel en vanzelfsprekend. De panterachtige Juliano Nunes en de messcherpe Nancy Osbaldeston brachten ook de fijnproevers naar het puntje van hun stoel.

In L’Oiseau de Feu op Stravinsky’s fameuze balletmuziek combineert Cherkaoui in een geabstraheerde vertelling de klassieke techniek met zijn hybride stijl, met name de ornamentele arm- en handbewegingen. Dat werkt vooral bij de mannen, maar in het partnerwerk en de spitzendans voor de vrouwen ontstaat geen eenheid en komt de choreografie, ondanks fraaie beelden, rommelig en geforceerd over.

    • Francine van der Wiel