Stijging olieprijs geeft hoop aan Nederlandse offshorebedrijven

Oliemarkt Na jaren van reorganisaties en verliezen lijkt herstel voor de Nederlandse offshore eindelijk in zicht. Maar snel gaat het niet.

Winstwaarschuwingen, megaverliezen, afschrijvingen, faillissementen en reorganisaties. Sinds 2014 verkeren maritieme dienstverleners aan de wereldwijde olie- en gasindustrie in diepe crisis. Maar nu de olieprijs is gestegen en de markt voor offshore windparken tot bloei komt, lonkt eindelijk herstel. In de verte nog, dat wel.

Veel aandacht kreeg Heerema Marine Contractors (HMC) niet toen het vorige week een reorganisatie aankondigde. De Leidse onderneming, specialist in transport, installatie en ontmanteling van offshore boorplatforms, stopt met de aanleg van pijpleidingen in zee. Teveel concurrentie, te weinig opdrachten, onvoldoende schaal. Het besluit kost zo’n 350 medewerkers hun baan – grofweg een vijfde van het personeel.

Een majeure ingreep dus, zeker als je bedenkt dat het familiebedrijf nauwelijks een half jaar geleden óók al een reorganisatie bekendmaakte waarbij 250 arbeidsplaatsen verdwijnen. Toch lijkt niemand verbaasd. „Het banenverlies is groot”, zegt Michiel Wallaard van vakbond CNV. „Maar we zijn niet helemaal verrast. Daarom hebben we vorig jaar al een sociaal plan afgesproken dat loopt tot 2020.”

Lees ook: Een vat olie heeft jaren niet zo veel gekost als nu. Het dichtdraaien van de kraan drijft de olieprijs op.

De gelatenheid tekent de malaise in de sector, die in Nederland naar schatting goed is voor een omzet van zo’n 7 miljard euro en een kleine 30.000 banen. Terwijl de wereldeconomie de crisis definitief van zich afschudde, kwamen maritiem dienstverleners de voorbije jaren juist massaal in de problemen. Bagger- en sleepbedrijven, scheeps- en boorplatformbouwers, bodemonderzoekers en maritiem installateurs: allemaal zagen ze de inkomsten drastisch teruglopen en sneden ze in hun personeelsbestand. Zelfs verfbedrijf AkzoNobel, dat scheepslakken maakt, wijt teleurstellende resultaten mede aan de crisis in de olie- en gasmarkt.

Bovenaan de productieketen staan traditioneel de zogeheten oil majors: bedrijven als Shell, Exxon en Chevron. Met de tientallen miljarden die zij per project investeren in de exploratie en exploitatie van nieuwe olie- of gasvelden, kunnen ze de volledige sector aan het werk houden. Maar dat werkt ook andersom. Wanneer de grote oliebedrijven investeringen afblazen of uitstellen, komt de hele keten stapsgewijs in de problemen. Eerst bodemonderzoekers zoals Fugro, dan bouwers en baggeraars en vervolgens de installateurs.

Duikvlucht

Dat gebeurde vanaf de zomer van 2014, toen de olieprijs aan een duikvlucht begon. In anderhalf jaar tijd zakte de olieprijs van ruim 110 dollar naar minder dan 30 dollar per vat, om vervolgens na een korte opmars rond de 50 dollar te stabiliseren. Wereldwijd gingen sinds 2014 bijna een half miljoen banen verloren bij maritiem dienstverleners, becijferde adviesbureau Graves & Co.

Grootschalige kostenbesparingen waren nodig om op korte termijn te overleven én op langere termijn concurrerend te blijven. Jaren van weelde in de olie- en gassector hadden namelijk geleid tot flinke overcapaciteit en afgenomen efficiëntie, zegt Ton Wouterse, bij Rabobank verantwoordelijk voor maritieme klanten. Oftewel: ze waren duur geworden, verwend door vette vergoedingen en een overvloed aan opdrachten.

Land, dan zee

Niets nieuws onder de zon. De afwisseling van vette en magere jaren hoort bij een markt die grotendeels meedeint op de grillige bewegingen van de olieprijs. Alleen duurt deze crisis uitzonderlijk lang, stelt Wouterse, mede doordat de razendsnelle opmars van Amerikaans schaliegas traditionele productiemethoden onder druk zet.

Toch lijkt voor de offshore sector het ergste nu voorbij. Sinds medio vorig jaar loopt de olieprijs – die traditioneel positief correleert met de prijs van gas – gestaag op, aangedreven door onder meer productiebeperkingen in de club van olieproducerende landen OPEC, aantrekkende vraag vanwege de wereldwijde hoogconjuctuur en politieke spanningen in het Midden-Oosten. Intussen betalen afnemers alweer meer dan 70 dollar per vat.

Rabobank, dat verwacht dat de olieprijs in 2018 gemiddeld zo’n 60 dollar per vat zal bedragen, voorspelt dat de investeringen van oliemaatschappijen langzaam maar zeker weer toenemen. Eerst op land, dan op zee.

Windparken

De resultaten van olie- en offshore bedrijven lijken voorzichtig optimisme te rechtvaardigen. Shell zag de winst in het eerste kwartaal met ruim 40 procent stijgen tot boven de 5 miljard dollar. Scheepsbouwer Royal IHC leed over 2017 nog verlies, maar zag de orderportefeuille flink groeien. Dat laatste gold ook voor bagger- en sleepbedrijf Boskalis, terwijl bodemonderzoeker Fugro na drie jaar van krimp eindelijk weer een omzetstijging bekend kon maken over het eerste kwartaal.

Hard gaat het niet. Investeringen komen langzaam op gang en het duurt vervolgens even voordat alle segmenten van de offshore sector profiteren. Ook zijn de tarieven de afgelopen jaren flink gedaald. Mede daarom richten veel maritiem dienstverleners in Nederland hun pijlen op de snel groeiende markt voor de bouw van offshore windparken. Daarnaast hopen bedrijven als Allseas dat de beloofde ontmanteling van de vele werkloze olieplatforms in de Noordzee vlot op gang komt.

Een „spectaculair jaar” wordt 2018 nog niet, vat Wouterse van Rabobank het samen. „Maar ik denk wel dat dit het begin is van het einde van de crisis”.

    • Joris Kooiman