Recensie

Op dat ene moment was hij een beest

Peter Middendorp Deze hoofdpersoon is en blijft schuldig aan een vreselijke moord. Maar is hij ook onmenselijk? Peter Middendorp schreef een ijzersterke roman over een moord die verwant is met die op Marianne Vaatstra.

Tekening Paul van der Steen

Hij heeft het gedaan. Een meisje verkracht, in een weiland in de nacht, en vermoord. Een paar uur later stond hij weer in de keuken van de gezinsboerderij, zijn leven ging gewoon verder. De moord wekte wel beroering: ‘De wereld was een tv-detective waarvan ik de enige toeschouwer was’, noteert hij. Maar toch: gewoon verder. Tot hij dertien jaar later opgeroepen wordt om DNA af te geven. En de politie op een dag aanbelt.

Peter Middendorp (1971), romancier en columnist, laat de man zijn verhaal doen in de roman Jij bent van mij en de feiten wijzen in één richting: de moord op Marianne Vaatstra. ‘Jij bent van mij’, dacht Jasper S. ook, toen hij het 16-jarige Friese meisje die nacht zag fietsen, zo verklaarde hij in 2013 voor de rechter.

Maar dit is fictie, dus we moeten die feiten loslaten. Dit meisje heet Rosalinde.

Welke kant het op gaat, weten we zo wél meteen al. Hij is schuldig. Maar waarom deed hij het? Hoe laat dit zich verklaren? Wie is deze man?

Vooral: een man van gewoonten, van mechanismen. Tille Storkema doorziet hoe mensen in elkaar zitten, hoe de dingen gaan. Beslist beredeneert hij of het verstandig is om kinderen aan risico’s bloot te stellen, hoe we met landbouwgif de natuur verwoesten, enzovoorts. Aanvankelijk valt nauwelijks op dat het hier gaat om huisgemaakte waarheden, omdat hij zelf zijn relaas doet, hij klinkt redelijk, redeneert logisch. Dat is de geniepige kracht van Middendorp in zijn vierde roman: hij schrijft vernuftig zonder dat je dat constant in de gaten hebt.

Vreemde verhouding

Onopvallend wordt bijvoorbeeld het eerste kiempje gezaaid voor wat je later als motief voor de moord kunt aanvoeren. Tille beschrijft smiespelende meisjes in de dorpsdisco, waarna hij hen wegzet, het mechanisme eigenhandig blootlegt – bam: ‘Mannen maken de oorlog, vrouwen kiezen de doelen. Nooit maken ze zelf eens vieze handen. Alles gaat impliciet, via de band. Met een gebaartje. Een blik.’

Is dat domweg puberpraat, of ook een voorbode? Algauw raak je van dat laatste overtuigd, want het is niet het enige zinnetje dat Tille’s vreemde verhouding tot vrouwen suggereert. Heel eigenaardig (maar voorgespiegeld als doodnormaal) is zijn verhouding tot Ada, zijn echtgenote, die als jongedame introk in de boerderij van de Storkema’s, en over haar eigen familie of geschiedenis niemand ooit iets vertelt. Ze krijgen een dochter en zoon, maar dan is ‘de sjoege verdwenen’, noteert Tille begripvol: ‘Een echtgenote geeft seks als een koe melk – een paar seizoenen, vijf, zes, en het beste is er wel vanaf.’

Wij denken daar het onze van, maar in Tille’s hoofd is geen ruimte voor tegenspraak, ook al omdat men niet bepaald het hart op de tong heeft in het klassiek-plattelandse huishouden (ze worden er omringd door ‘een mannelijk landschap, recht en duidelijk’!). Omdat Middendorp ons verleidt om de redeneringen te slikken, ontwikkelen we steeds meer inzicht in de mechanismen die hem tot het moorden leidden – al mogen we dat zelf te voorschijn puzzelen.

Want Jij bent van mij is ook een apologie van een moordenaar, Tille zelf noemt het een ‘ongeluk’. Hij stond onder druk, kreeg thuis niet wat hij wenste, ging fietsen door de nacht, kwam Rosalinde tegen en verloor zijn verstand, één moment. ‘Een moment en je leven is voorbij, alle andere momenten van hetzelfde leven zijn waardeloos geworden’, constateert hij – berustend, maar ook neigend naar vrijpleiterij. Want de cellen waaruit zijn lichaam op dat ene moment bestond, betoogt hij, zijn nu allemaal vervangen. Welke cel in hem is dan nu nog schuldig, of minstens medeplichtig? ‘De spreeuwenwolk aan cellen die door een vorm vloog die ze Tille Storkema waren gaan noemen, was gediskwalificeerd, onbruikbaar, uit de race genomen. Het moment was de uitzondering, alle andere momenten zijn vrij van ongelukken gebleven, maar dat telt niet meer, dat is niet langer belangrijk.’

Die zinnen vormen zijn slotredenering in een van de adembenemendste hoofdstukken, waarin Middendorp de herinneringen van meerdere gebeurtenissen door elkaar laat lopen: hoe Tille met tienerdochter Suze door het weiland loopt, en hoe hij dat eerder deed met Rosalinde. Dat is een krachttoer van schrijftechniek – net als in het mindfuck-hoofdstuk 16 (mijn lievelingshoofdstuk), waarin de kwade herinneringen zich mixen met een nachtmerrie, en de helderheid, veelbetekenend, even uit Tille’s hoofd verdwijnt.

Opgroeiende dochter

Glashelder schrijft Middendorp dat op. Zoals hij in de hele roman doet: korte zinnetjes, beknopte alinea’s, knappe overschakelingen. Beschrijvingen zijn goed getroffen (‘Ze glimlachte kartelig’), soms ook echt mooi (als je houdt van zintuiglijke beschrijvingen van opschrikkende koeien en hun excrementen: ‘Het spatte van de vloer terug tegen de wanden omhoog, tegen de poten, pensen en uiers; de spenen al open.’). Poeslief zijn Tille’s woorden over zijn dochter – een lijn in de roman die steeds indringender wordt. En je zou bijna vergeten dat Jij bent van mij óók een schitterende boerenroman is, hard, noest en aards, met een tragisch randje van vergankelijkheid.

Zelfs in die dreiging die over het platteland hangt – de nieuwbouwwijk verrijst al – weerklinkt het hoofdonderwerp van de roman: de verwoestende kracht van mechanismen. Steeds voert Middendorp verhaallijnen op die als argument kunnen dienen voor Tille’s pleidooi: als hij zo’n speelbal van mechanismen is, kun je dan redelijkerwijs nog over schuld spreken?

Zijn vrouwenhaat dreef hem tot de moord, dat hebben wij lezend blootgelegd, maar hij is zich niet eens bewust van zijn misogynie. En hij is sinds dat ene ongelukkige moment toch altijd een voorbeeldige gezinsvader geweest? Hij laat er geen twijfel over bestaan: hij is en blijft schuldig aan een vreselijke moord, maar is hij ook onmenselijk, een beest?

En dan kunnen we de feiten rond Marianne Vaatstra toch niet helemaal loslaten – die zaak was zo pikant omdat de mensen in het nabijgelegen asielzoekerscentrum lange tijd collectief voor schuldig gehouden werden, waarbij de ontmaskering van de dader voor een cynisch-ironische afloop zorgde. Het is bijzaak in de roman, maar oorverdovend aanwezig. Bij de komst van het azc staat er onderkoeld: ‘Mijn ouders konden zich niet herinneren dat iemand in de krant had laten zetten dat wij hier omhoog zaten met onze gastvrijheid.’ De wreedheid van de moord werd van lieverlee ‘on-Nederlands’ genoemd, en: ‘Ze hebben ook andere ideeën over vrouwen’, weet de oude Storkema.

Xenofobie, vooroordelen – ook zoiets waarvan je onbewust doordrongen kunt zijn, zo’n mechanisme. Zo verbreedt Middendorp de schuldvraag en verbindt hij het lot van Tille aan dat van ons allemaal. Waardoor het ijzersterke Jij bent van mij nog lang onder je huid blijft zitten.

    • Thomas de Veen