Recensie

Mano Bouzamour heeft een teringhekel aan de realiteit

Mano Bouzamour Vijf jaar na zijn debuut is er nu een tweede roman – over hoe het succes Bouzamour overviel. Hij maakte er een jongensboek van.

Ze blijven het hem maar vragen: hoe gaat het met je tweede boek? Mano Bouzamour werd omarmd, bij de verschijning van zijn debuut De belofte van Pisa (2013), door publiek, critici en talkshowredacties. Het ex-schoffie uit de Amsterdamse Pijp, dat niets liever wilde dan schrijven, bij de literaire wereld horen. Zijn boek werd een bestseller, twintig keer herdrukt. Tegelijk werd hij verstoten door zijn ouders, Marokkaanse Nederlanders van het niet zo vooruitstrevende soort. Ze beschuldigden hun zoon van nestbevuiling, verraad, het verkopen van zijn ziel. En zetten hem op straat.

Nu is dat tweede boek er dan. Bestsellerboy, waarin Bouzamour het autobiografische verhaal nog eens dunnetjes overdoet en vertelt over de angst die volgde op het succes. Gefictionaliseerd, dat wel, maar er zijn tal van overeenkomsten tussen de schrijver en hoofdpersoon Mohamed Zebbi, en Samir uit De belofte van Pisa. In de kern zijn ze alle drie dezelfde jongen die noteert: ‘Ik schrijf omdat ik een teringhekel heb aan de realiteit.’ En: ‘Als ik schreef, leefde ik op als nooit tevoren en raakte ik tot over mijn oren verliefd op de woorden.’

Bouzamour (1991) is een druistige verhalenverteller. De debuutroman, vrij onschuldig van inhoud, krijgt in deze fictie daarom de pikantere titel Mohamed, de proleet – en de werktitel was Ik, Mohamed, à la Jan Cremer. Met zijn teringhekel aan realiteit zet Bouzamour een extreem alternatief van de werkelijkheid neer. Maar daar ben je als lezer niet per se mee gediend: van overdrijving komen algauw karikaturen en clichés. Dus de eerste interviewster van Mohamed is slordig, neerbuigend en alleen geïnteresseerd in zijn privésituatie. De modewereld is vals en protserig. De gehaaide uitgever Mai Spijkers is nog karikaturaler dan in het echt.

Eigenlijk is de roman zowel te veel gefictionaliseerd als te weinig. Te veel, want de overdrijving fnuikt de geloofwaardigheid, ook van de aardige schelmachtige episodes, zoals over een rechtszaak waar Mohamed zijn verbale gave perfect inzet. En te weinig, want Bestsellerboy kent een boel aanzetten tot interessante verhalen, maar die komen niet overtuigend uit de verf. Over roem en faam heeft hij weinig te zeggen, behalve dat het nogal wat aanricht. Het familieverhaal wordt te gemakkelijk afgehecht om indruk te maken.

Bouzamour lijkt vooral zijn Cremer-aspiraties te willen botvieren, in het jongensboek dat hij ervan maakt. De sprankelende stijl uit zijn debuut is daarbij ingeruild voor zelfgenoegzame stijlbloempjes en eentonige schreeuwerigheid. Als Mohameds vriendin in het buitenland is, begint hij aan een reeks seksavonturen: daar is zo’n beetje een derde van de roman mee gevuld. Platte porno schrijft Bouzamour vaardig (‘Ze streek met haar middelvinger zachtjes tussen haar slijmerige schaamlipjes terwijl ze er zichtbaar van genoot’), maar het helpt het verhaal nauwelijks verder: o ja, aan het eind heeft hij spijt. ‘Vandaag zou ik echt beginnen met schrijven’, bezweert hij. Maar hij is er niet uitgekomen.

    • Thomas de Veen