Recensie

Lekker slapen met rechtse meisjes

Jan Guillou

In deel 7 van zijn romanreeks De grote eeuw beschrijft de Zweedse schrijver en voormalige studentenactivist Guillou de revolte van 1968 in Parijs en andere grote steden vanuit een Zweeds perspectief.

Vermoedelijk rechtse meisjes in een Deux Chevaux Foto Rue des Archives/Hollandse Hoogte

‘Met rechtse meisjes slapen was één ding’, schrijft de Zweedse auteur Jan Guillou (1944) in zijn autobiografische roman 1968, ‘maar iets met cynische domkoppen beginnen was iets heel anders.’ Getuigt deze zin van idealisme? Dat is de vraag, alsof naar bed gaan met rechtse meisjes ondanks linkse idealen geoorloofd is, maar omgang met cynische jongelui niet. Guillou varieert verder op links en rechts: bij rechtse meisjes past de Volvo in tegenstelling tot de ‘linkse’ Renault 4.

Hoofdpersoon Eric Letang, die zijn rechtenstudie aan de universiteit van Stockholm net heeft voltooid, is van gegoede komaf. Hoewel hij linkse sympathieën koestert, moet hij zich bewijzen tegenover vrienden voor wie een Citroën 2CV een ‘hasjbrommer’ is en de Renault 4 de enige auto die ‘vanuit marxistisch-leninistisch oogpunt enigszins politiek correct is.’

In dit zevende deel uit de romanreeks De grote eeuw beschrijft Guillou de revolterende studentenbeweging in Parijs ’68 vanuit Zweeds perspectief. Guillou kent de Zweedse tegencultuur van binnenuit. Hij was lid van Clarté, een socialistische studentenvereniging gelieerd aan de communistische partij.

Eric, een telg van de aristocratische Lauritzen-familie, ondergaat in het begin van de roman een cruciale morele kentering. Als juridisch medewerker van een beroemd advocatenkantoor is hij getuige van het Neurosedyn-proces tegen de Duitse fabrikant Grünenthal wegens het middel Neurosedyn tegen zwangerschapsmisselijkheid dat leidde tot de geboorte van misvormde kinderen, vergelijkbaar met de Softenon-kinderen in Nederland.

Tijdens het proces tegen de directie van het farmaceutische bedrijf vallen hem de schellen van de ogen: op de ene kant van het juridisch toneel ziet hij ‘mismaakte Duitse kinderen’ en aan de andere kant ‘Duitslands trots, het industriële wonder’. Een meeslepend begin, omdat het juist de aanloop tot protest weergeeft: hoe idealisme ontstaat uit verzet tegen de arrogantie van de gevestigde orde.

Niet alle bladzijden zijn zo spannend, soms verliest Guillou zich in uitputtende beschrijvingen van tal van linkse splinterpartijen in Zweden en zijn de vele personages die hij opvoert niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden.

Oorlog in Algerije

Guillou laat de studentenrevolte ver voor ’68 beginnen, al in 1963, wanneer er zowel diepzinnige discussies in Parijs plaatsvinden over de nieuwe Franse filmstroming, de nouvelle vague, als over de Franse oorlog in Algerije waarin De Gaulle een heldenrol dan wel een verradersrol speelt, afhankelijk van iemands politieke overtuiging. De nieuwe tijd is nog ver weg. Het ‘was onmogelijk om je voor te stellen hoe de wereld er over vijf jaar uit zou zien’, schrijft Guillou.

Natuurlijk komen de grote gebeurtenissen van ’68 aan de orde: de Vietnam-demonstraties en de Russische inval in Praag. Maar dit alles is meer decor, meer beschrijving van een historisch tijdperk ‘zoals het toen was’, zoals Guillou's literaire overtuiging luidt.

Soms lijkt 1968 iets te veel op een botweg geschreven handboek van toen, ook omdat de stijl af en toe meer brille had mogen hebben. Tegen het einde vlamt de roman ineens op, wanneer Guillou weergeeft hoe de rechtse pers de linkse ‘beroepsdemonstranten’ in diskrediet brengt door hen te beschuldigen van een bloedbad dat ze zouden hebben aangericht onder de Zweedse sportploeg die afreist naar de Olympische Spelen in Mexico. Deze ‘verschrikkelijke gebeurtenis’ zou hebben plaatsgevonden op het vliegveld Arlanda. Een leugen uiteraard, die bij Eric en zijn kameraden leidt tot ‘herhaalde lachaanvallen’.

Toch is het kwaad geschied: de linkse beweging in Zweden wordt extremer, de strijd tussen links en rechts verhardt met uiteindelijk de tot op heden onopgeloste moord op premier Olof Palme tot gevolg, althans, zo geeft Guillou het weer.

In het slothoofdstuk noteert hij dat 1968 ook het eind van een idylle was. De ‘tijd van onschuld is voorbij’, zoals de neef van Eric op oudejaarsavond memoreert. De vrienden brengen een toost uit op het voorbije jaar en iedereen raakt ‘een beetje sentimenteel’.

In de epiloog die toepasselijk ‘En toen was het niet langer 1968’ heet, krijgt de reden voor het einde van de idylle een naam en een gezicht: de journalistenvriendin Ulrike Meinhof uit Berlijn. Met haar naam eindigt de roman. Ongetwijfeld is het achtste deel van Guillou’s romancyclus gewijd aan de radicale Baader-Meinhof-Gruppe en de gewelddadige jaren zeventig.