‘Ik zie overal activisme’

Afua Hirsch De Brits-Ghanese Hirsch schreef een boek over identiteit en geschiedenis: ‘Landen als Nederland of Groot-Brittannië denken vaak dat ze een eigen, nationale geschiedenis hebben. Maar het is allemaal zó met elkaar verbonden.’

Het is ongewoon warm voor een vrijdag in april, het soort hitte dat het land overvalt en een beetje lijkt te ontregelen. Ha, lacht Afua Hirsch als een bootje vol mannen met ontblote bovenlichamen langs vaart. „Jullie zijn net als wij Britten. Bij de eerste zonnestraal trekken jullie ook meteen al je kleren uit!”

Hirsch zit op de kade in het Amsterdamse Oostelijk Havengebied, tussen voormalige pakhuizen met namen als ‘Bremen’ en ‘Batavia’. Ze houdt haar zonnebril op en leunt comfortabel achterover.

Niets duidt op een ongemakkelijk gesprek als je met Afua Hirsch (1981) praat. Geconfronteerd met het succes van haar boek Brit(ish) lacht ze af en toe haast verlegen. Toch is een moeilijk gesprek precies wat Hirsch beoogt met haar boek, waarvan de Nederlandse titel is Waarom ras ertoe doet.

Hirsch schreef een persoonlijke geschiedenis, over het opgroeien tussen verschillende culturen, stoeiend met identiteit, etniciteit, klasse. Tegelijkertijd is het een vlijmscherpe aanklacht tegen een land dat zijn eigen geschiedenis maar niet onder ogen wil zien, waar ‘racisme met een glimlach’ alomtegenwoordig is en die de eigen identiteit in tijden van Brexit alleen maar krampachtiger lijkt te omklemmen.

„Het is een wit privilege om de luxe te hebben er niet over te hoeven praten”, antwoordt Hirsch, gevraagd naar het ongemak van een gesprek over ras. Ze benadrukt het in haar boek voortdurend: we kunnen niet postraciaal zijn voordat we erkennen hoe geracialiseerd de samenleving nog is. Aan het verwijt de zo verguisde identiteitspolitiek te bedrijven heeft Hirsch een broertje dood. Het waren juist de onophoudelijke vragen die ze als zwart meisje te midden van de witte middenklasse in Londen kreeg, die haar met het belang van identiteit confronteerden. ‘Ik was niet op zoek naar ras’, schrijft ze, ‘ras drong zich op aan mij.’

Door scheldpartijen op de basisschool, maar ook door het verzoek van een witte vriendin maar liever niet meer te komen in de winkel waar ze werkte: dat schrok mensen af. Maar ook via wat Hirsch meermaals ‘De Vraag’, in kapitalen, noemt: het voortdurend moeten uitleggen waar zij, geboren en getogen in Wimbledon, nu écht vandaan komt. „Die vraag is zo symbolisch voor wat er op grote schaal gebeurt: subtiel, goedbedoeld, niet racistisch. Maar als je soms verschillende keren per dag gevraagd wordt waar je vandaan komt, dan internaliseer je dat. Je gaat op zoek naar een antwoord, want kennelijk hoor je niet helemaal bij de Britten.”

Zo ging het ook bij haar. Eigenlijk doet de Engelse titel, Brit(ish), het boek daarom meer recht, geeft Hirsch toe. „Het gaat om de twijfel die daarin zit. Wie kan en mag zich die Britse identiteit toe-eigenen, of mogen sommige mensen dat maar een beetje? En waarom vervreemdt die beperkte vorm van wat Brits is dan een deel van zijn inwoners?”

Het laat ook zien: identiteit is niet eenduidig of statisch, niet vast te pinnen op alleen ‘zwart’, ‘Brits’ of ‘Ghanees’. Als dochter van een Ghanees-Britse moeder en Joods-Duitse vader is Hirsch daarvan doordrongen.

Tijdens het schrijven ontdekte ze dat een van haar voorouders een Nederlandse slavenhouder was. Fascinerend, vindt Hirsch. „Het laat nogmaals zien hoe verweven onze geschiedenissen zijn. Landen als Nederland of Groot-Brittannië denken vaak dat ze een heel eigen, nationale geschiedenis hebben. En de koloniale component daarvan vergeten we het liefst. Maar het is allemaal zó met elkaar verbonden. Ik kan mijn eigen identiteit niet eens verklaren zonder die geschiedenis te begrijpen: ik ben er letterlijk het product van. Er staat nu een generatie op die niet de luxe heeft deze geschiedenis te negeren. Het is wie ze zijn.”

Uw partner, ook Brits-Ghanees, speelt een prominente rol in uw boek. U beschrijft de discussies die u met hem voert. Hij beschouwt overwegingen en twijfels over identiteit als de luxeproblemen van iemand die zich niet hoeft af te vragen waar ze de volgende maaltijd vandaan moet halen.

„Sam en ik hebben het hier vaak over. Hij groeide op in een Londense buitenwijk, arm, maar in een omgeving waar iedereen dezelfde achtergrond had. Hij was onderdeel van een heel duidelijke subcultuur, met een eigen taal, een eigen muziekstijl. Nooit was hij onzeker over wie hij is. Terwijl ik nergens bij paste.

„Ik groeide op in een witte buurt en was me voortdurend bewust van hoezeer ik afweek. Hij vindt dat ik een luxeleven heb gehad, maar als het om identiteit gaat, vind ik dat hij met een zilveren lepel in de mond is geboren. Maar natuurlijk: het is belangrijk te erkennen hoe geprivilegieerd ik ben. En ik had dit boek nooit kunnen schrijven zonder alle kansen die ik heb gekregen.”

In uw boek verbazen Amerikaanse medestudenten zich over de hoge mate van onwetendheid en bevooroordeeldheid in Groot-Brittannië. Denkt u zelf echt dat de situatie in de VS beter is?

„Ja. Laat me duidelijk zijn: de VS hebben serieuze problemen met ras. De dagelijkse realiteit van racisme is daar schokkend. Maar omdat de situatie zo slecht is, hebben ze een taal ontwikkeld om erover te kunnen praten. Los van alle persoonlijke standpunten negeert niemand daar dat het een kwestie is. Terwijl wij onszelf in Groot-Brittannië comfortabele leugens vertellen. Er is zo’n enorme zelfgenoegzaamheid, bijvoorbeeld om het feit dat we nooit slavernij op Britse bodem hebben gehad, of segregatie. Maar de Britten runden nota bene de slavenindustrie vanaf de Caraïben en staan aan de basis van de apartheid. Er is geen ruimte een debat te voeren, want hé: we zijn toch postraciaal? Je moet hier vechten om de discussie überhaupt te mogen voeren. En dat vind ik nog achterlijker.”

Wat de discussie lastiger maakt is dat we juist afscheid hebben genomen van wetenschappelijke concepten van ras.

„Dat vind ik niet in tegenspraak met elkaar. Het maakt het nog verleidelijker om op de postraciale wagen te springen. Zo van: we hebben het er niet meer over. Maar ik vind dat ironisch. Het was niet mijn idee om mensen in rassen op te delen: dat is uitgevonden om de slavenhandel te legitimeren. Maar nu het in het belang van Europa is om mensen te de-racialiseren zeggen we: oh ja, datgene waar we de afgelopen vierhonderd jaar aan vast hebben gehouden, dat bestaat trouwens niet meer. We begraven het, doen alsof het niet is gebeurd, samen met alle achterstanden en ongelijkheid die het heeft gecreëerd. Maar helaas is het een sociaal construct waar we mee moeten leven. Je moet erkennen hoeveel impact het heeft gehad.”

Ik vraag het ook omdat er in Nederland onlangs politici waren die over ras en IQ begonnen. In zulke tijden voelt het vreemd het begrip opzettelijk op de agenda te willen zetten.

„Klopt, het voelt extra ongemakkelijk omdat het extreem-rechts is dat over ras praat. Het liberale establishment praat er liever niet over. Maar dit is wat ik bedoel: als de mainstream dit niet oppakt, laat je het over aan de extremisten. Je drukt het ondergronds. Ik vind: we moeten het heroveren op een eerlijke manier. Negeren heeft geen zin.”

Uw streven contrasteert in zekere zin met een ander succesvol recent Brits boek, van Reni Eddo-Lodge, dat juist ‘Why I'm no longer talking to white people about race’ heet. Op een bepaalde manier…

„O, ja, ik ben inderdaad aan het praten tegen witte mensen over ras. Absoluut. Maar Reni en ik zijn het op veel vlakken eens. Haar titel is provocerend, spottend. Het is een commentaar op de uitputting van het voortdurend moeten uitleggen en daar kan ik me honderd procent in vinden. Het is belangrijk die frustratie, pijn en woede ook te erkennen. Maar deze manier past bij mij. Ik geef om Groot-Brittannië, ik wil erin investeren, ik wil dat we verder komen. Ik zeg niet: Fuck Britain. Ik zeg: wij hebben als land een probleem en dat raakt ons allemaal, ook witte mensen. Dus ik praat met iedereen die zich in mijn argumenten wil verdiepen. Ik wilde een debat, en dat debat heb ik gekregen.”

Hoe vindt u het om hierover geïnterviewd te worden door een wit persoon?

(In lachen uitbarstend) „Ik ben eraan gewend! En natuurlijk: afhankelijk met wie ik spreek is het een ander gesprek. Maar we moeten elkaar allemaal beter leren begrijpen. En vragen over identiteit en je ergens thuis voelen gaan iedereen aan.”

Het ongemak blijkt ook uit de reacties die Hirsch oogst. Haar boek is een verkoopsucces, maar tegelijk is de zogeheten backlash groot. Kan Afua Hirsch niet gewoon een beetje dankbaar zijn, kopte de Britse krant The Daily Mail onlangs nog. Dat kan zwaar zijn, zegt Hirsch. „Ik ben gepassioneerd over dit boek, maar ik denk niet dat een volgend boek over hetzelfde zal gaan. Ik wil niet steeds hetzelfde zeggen en schrijven. En ik wil ook niet dat terwijl al mijn vrienden spannende en creatieve ideeën uitvoeren, ikzelf alleen maar praat over het feit dat ik besta!”

Maar uiteindelijk, benadrukt Hirsch, stemmen de harde aanvallen haar optimistisch. „Ze voelen zich bedreigd en schreeuwen zo hard omdat ik een punt heb. Mensen luisteren naar me en zijn het met me eens. En dat de aanvallen zo persoonlijk zijn, toont dat ze het lastig vinden mijn argumenten aan te vallen. Hoe moeilijk dat ook is, het geeft op een bepaalde manier vertrouwen. Het zegt me: je kunt deze feiten niet onderuit halen.”

U stelt ook: uiteindelijk is het misschien wel beter Donald Trump nu als Amerikaanse president te hebben dan Barack Obama.

„Ja! We werden onder Obama zo zelfgenoegzaam. We dachten dat het goed kwam, en dat is overduidelijk niet zo. Niet omdat Obama het niet goed deed, maar omdat dingen veel te langzaam veranderen. Mensen sloten zich af en dachten: die gast doet het wel. Maar nu zie ik overal activisme, vooral bij een nieuwe generatie.”

U gaf uw dochter een volledig Ghanese naam, ook uit hoop dat die haar in de toekomst niet meer hindert zich volledig als Brits te identificeren.

„Ik ben een optimist! Zij zal niet hoeven beargumenteren waarom dit belangrijk is. ‘Brits’ zal een bredere betekenis hebben.”

    • Clara van de Wiel