Opinie

    • Ellen Deckwitz

Fiets

Donderdagavond zat ik voor het eerst in tijden weer eens in de bus. Normaal loop ik alles, maar de vriendin die ik zou bezoeken woont vijftien kilometer verderop en dus was ik overgeleverd aan de genade van het openbaar vervoer. Eenmaal aan mijn reis begonnen voltrok zich de ene ramp na de andere: de metro viel halverwege uit, het duurde een kwartier voor hij weer reed, er zaten lawaaierige Spanjaarden naast me, ik miste de tram naar het CS en haalde daardoor ook mijn aansluiting op het busstation niet. Vanuit de bus appte ik mijn vriendin dat ik door dat stomme ov flink te laat zou komen.

„Had ik maar een fiets”, appte ik.

„Maar heeft M. je niet voor kerst een fiets gegeven?” appte ze terug.

Potverdrie, ze had gelijk: ik heb een fiets! Wat ik door dat vele wandelen gewoon was vergeten!

Een uur te laat stond ik bij mijn vriendin op de stoep. Ze deed open, keek medelevend en knuffelde me. Heel even dacht ik nog dat ze dat deed vanwege alle vertraging, tot ik me realiseerde dat ik hier was om getroost te worden. Mijn relatie stond op punt van knappen.

Eenmaal binnen stortte ik mijn hart uit. Over hoe verdrietig het was dat het tussen mij en mijn geliefde niet meer goed ging, hoeveel ik van hem hield maar dat ik ook zag dat we gewoon te verschillend zijn. Dat ik tegen die acute eenzaamheid na een break-up zo ontzettend opzag: die plotse stilte. Geen appjes voor het slapen meer, geen appjes bij het ontwaken.

En toen moest ik best hard huilen. Het was zo erg dat ik op een zeker punt vermoedde dat ik niet alleen om mijn bijna-ex huilde, maar ook om de dingen waar ik doorgaans wel om kan janken maar die ik normaliter opkrop: belastingen, verlaten hondjes, dat je steeds minder jong wordt. Ik huilde in ieder geval flink en waarschijnlijk vooral vanwege het vooruitzicht om weer alleen te zijn.

„Maar je hebt mij toch”, zei mijn vriendin terwijl ik mijn neus snoot in haar gordijnen. „En je hebt je ouders, je collega’s, je lieve buren. Je hoeft niet alleen te zijn. We kunnen best wel even een rooster maken, dat we je de eerste weken appen op de momenten dat je normaliter van je geliefde een appje kreeg. We kunnen ook ranzige appjes schrijven, als je dat wilt, ik weet niet wat voor berichten jullie elkaar in bed stuurden.”

„Ranzige”, snotterde ik. Ze knikte.

„Je bent echt niet zo eenzaam als je denkt. En je hebt een fiets.”

„Jullie zijn mijn fiets”, snifte ik.

„Je bent zelf een fiets”, zei ze.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz