Recensie

Een rampjaar voor Soulsville

Memphis 1968

Martin Luther King werd er vermoord, aan stakingen kwam een bloedig eind, rassenhaat nam toe en het soullabel Stax-Volt raakte in problemen die het niet meer te boven zou komen.

The Bar Keys, in Memphis, 1967. Dat jaar kwamen ze, op één lid na, met Otis Redding om bij een vliegtuigongeluk Foto Gilles Petard/Redferns

‘That’s how strong my love is’ is een van de grootste soulklassiekers uit de jaren zestig. Bekend geworden dankzij Otis Redding, O.V. Wright, en er was ook nog een versie van The Rolling Stones. De schrijver van het liedje – Roosevelt Jamison – kwam uit Memphis. Zijn studiootje was een ruimte achterin het bedrijf waarmee hij wél in zijn levensonderhoud voorzag: een bloedbank.

Bloed in dienst van soul: de symboliek ligt er dik bovenop, maar Stuart Cosgrove hoefde in zijn boek Memphis 1968. The Tragedy of Southern Soul niks te verzinnen: de bijzondere verhalen liggen voor het oprapen. Zoals dat over Wilson Pickett, de imposante zanger met al even imposante stem die zo onhandelbaar was dat er over hem gezegd werd dat hij zelfs in een lege kleedkamer nog slaande ruzie kon krijgen. Of het verhaal over Albert King, die Nelson heette maar zichzelf King noemde in de hoop om net zo succesvol te worden als B.B. King. Over de fotograaf wiens archief door de FBI in beslag werd genomen omdat hij demonstraties had gefilmd. En het verhaal van Mahalia Jackson, de gospelzangeres die – anders dan Al Green of Sam Cooke – nooit de overgang naar popmuziek maakte.

Voor de muziekliefhebber is Memphis een mekka. De stad met Beale Street, het Stax-label, waar Otis Redding, Sam & Dave, Isaac Hayes vandaan komen. Waar in de Sun Studio’s de rock ’n’ roll werd uitgevonden en waar muzikale integratie een gegeven was: in Booker T. & The MG’s, de huisband van Stax, speelden wit en zwart samen, zonder dat daar een punt van werd gemaakt. Dusty Springfield ging ernaartoe voor wat haar beste plaat zou worden. En Elvis Presley hervond hier zijn muzikale wortels, na een periode van steeds zoetere soundtracks.

Moord

Maar voor wie begint te lezen met het idee dat Memphis staat voor het beste dat Amerika heeft te bieden, is dit boek ontnuchterend. Want 1968 was een rampjaar voor de stad. De opkomst van Martin Luther King en zijn burgerrechtenbeweging werd gestuit toen King werd vermoord in Memphis. Otis Redding stond op de grens van een enorme doorbraak toen hij met zijn vliegtuigje neerstortte in het noorden van de VS. Het succesvolste label (Stax) had in een onbewaakt ogenblik zijn kostbare back catalogue verkocht aan het New Yorkse Atlantic-label en zonk steeds verder weg in financiële problemen.

Al die elementen worden uitgewerkt in korte hoofdstukken die het boek een hoog tempo geven, en de lezer het gevoel dat het allemaal nauwelijks bij te benen valt. Een chaos wordt het niet, want Cosgrove houdt, net als in zijn vorige boek over Detroit in 1967, de touwtjes knap in handen. Cosgrove heeft een losse, documentaire vertelstijl waarbij de camera heen en weer zwiept, soms hoog de lucht in voor een vergezicht, om dan weer heel gedetailleerd verslag te doen van een bepaalde gebeurtenis.

De periode die Cosgrove beschrijft, is zowel een hoogtepunt van de Amerikaanse soul als een breekpunt. Stakingen in Memphis werden bloedig neergeslagen, wat nog grotere rellen tot gevolg had. Na de moord op Martin Luther King was de eenheid in de stad helemaal verloren. De haat was zelfs voelbaar in de studio: (de witte) Steve Cropper voelde zich steeds minder op zijn gemak en (de zwarte) Booker T. Jones ging zelfs naar Los Angeles. De volmaakte muzikale eenheid dreigde uiteen te vallen.

Ook de dood van Otis Redding had invloed op de muzikale koers van het Stax-label. De nadruk op korte, felle liedjes verdwijnt en de nieuwe ster wordt Isaac Hayes, die juist uitgebreid de tijd neemt (van ‘Walk on By’ maakt hij een twaalf minuten durend mini-epos). En anders dan Redding, die zijn best deed om door het witte (en grote) publiek gerespecteerd te worden, zette Isaac Hayes zichzelf uitdagend neer als Black Moses.

Het is een van de redenen dat Hayes een teken van hoop is, zelfs al kan ook hij de neergang van Stax niet keren. Wel ontvangt hij in 1972 de Oscar voor het beste liedje bij een film (Shaft). Vervolgens staat Cosgrove stil bij de oma van Hayes aan wie hij zijn Oscar opdroeg. Zij had hem opgevoed nadat zijn vader hem in de steek had gelaten – toen hij nog geen twee was – en nadat zijn moeder was omgekomen in een psychiatrische inrichting. Oma Hayes hield de boel op de rails. Een hoopvolle ontwikkeling, maar hoop ziet Cosgrove ook op minder voor de hand liggende plekken. Met Kerst 1968 komt een zwart stel om bij een roofmoord die enkele dollars opleverde. Maar anders dan eerder dat jaar, doet de politie nu serieus haar best om de daders op te sporen. Het lukt niet, maar het besef is doorgedrongen dat zwarte levens ertoe doen in Memphis, 1968. De stad, die zo’n gewelddadig jaar achter de rug had, begon naar voren te kijken.

    • Bertram Mourits