De sokkenvrouw

De stad uit (16)

Veel Amsterdammers denken er stiekem weleens over na: de stad uit, weg van de drukte. Journalist en radiomaker Petra Possel (54) deed het. Na 30 jaar Amsterdam verhuisde ze naar een dorpje in Friesland. In NRC brengt ze regelmatig verslag uit.

Voor ik het dorp uitrij en de dijk op draai, op weg naar mijn werk in Amsterdam, steek ik mijn hand op om de dorpsgenoten te groeten.

Mijn onvermoeibare klusjesman staat bij het dorpshuis tegenover mijn huis de heg te maaien. Hij is de zeventig gepasseerd, maar heeft het altijd druk met de klaverjasvereniging, de inkoop voor het dorpshuis, de reparatie van het dak en de pakezeggers, zijn kleinkinderen.

De achterbuurman laat fluitend zijn hondje uit, hij is zo krom als een hoepel, maar zijn humeur lijdt er niet onder.

De officieuze dorpsoudsten, een echtpaar van tachtig-plus, zitten op hun tuinstoelen voor het huis. Ze drinken koffie en halen de boontjes af. Ze hebben een grote moestuin waarin van het vroege voorjaar tot het late najaar werk aan de winkel is.

Ik rem af, draai het raampje verder open en steek m’n hoofd naar buiten: „Dag mensen.” „Ga je naar de stad, ga je weer werken?”, vraagt zij. Ze kent mijn agenda beter dan ik zelf, er is niet veel dat aan haar aandacht ontsnapt. Al in de eerste week dat ik hier woonde, stond ze voor de deur met een groene collectebus in de hand. Of ik iets over had voor de zieken en nooddruftigen in de samenleving. Vervolgens kwam ze aan de deur met loten voor het jaarlijkse Sinterklaasfeest. Niet veel later bracht ze me de tweede prijs: een literfles rode en halfzoete witte wijn. Voor mijn eerste winter breide ze geitenwollen sokken, voor de Kerst had ik sokken voor de hele familie besteld. Ze breit met het fanatisme van een Elfstedenrijder, als er ooit een hongerwinter uitbreekt moet ik zorgen dat ik bij haar in de buurt ben. Ze windt een sok om mijn hand die ik tot een vuist maak om te zien welke voetmaat ik heb. Na ontvangst reken ik tien euro veertig af. Voornamelijk materiaalkosten, zegt ze, de wol.

Laatst zat ik met mijn vader op het bankje op de dijk. Eerst hoorden we getik en toen zagen we haar hoofd bovendijks komen. Ze loopt met twee stokken, maar dat weerhoudt haar er niet van de klim naar boven te maken. „En, is mijn dochter al ingeburgerd?”, vroeg mijn vader. Ik vond het ongemakkelijk, ik ben hier nog maar net. Maar de officieuze dorpsoudste, de sokkenvrouw, die weet dat ik ‘voor de media in de stad werk’, antwoordde: „Ik heb het stukje met haar foto uit de televisiegids geknipt en op de koelkast geplakt.”

Ik kon niet anders dan blozen.