Dodenherdenking op het Nationaal Ereveld in Loenen vorig jaar.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Dé Dodenherdenking heeft nooit bestaan

Ilse Raaijmakers Historicus De geschiedenis van de Dodenherdenking is woelig. En stevige discussies zoals nu horen erbij, zegt historicus Ilse Raaijmakers. „Ik ben niet voor escalatie, maar de storm hoort echt bij de stilte.”

Je kon erop wachten, zegt historicus Ilse Raaijmakers. Het debat over de Nederlandse koloniale geschiedenis zoals dat nu een paar jaar woedt, heeft de Dodenherdenking bereikt. Twee weken geleden kondigde een actiegroep op Facebook aan dat ze op 4 mei een ‘lawaaiprotest’ wilde houden tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam. Donderdagmiddag gaf de rechtbank in Amsterdam de gemeente, die de actie verbood, gelijk: er mag geen lawaai worden gemaakt door de actiegroep.

De actiegroep vindt de huidige herdenking „racistisch”, omdat er alleen zou worden stilgestaan bij de „22.000 witte slachtoffers” die tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen en niet „de vier miljoen doden door oorlogsgeweld in Nederlands-Indië”. Raaijmakers: „De Dodenherdenking is altijd een spiegel van het tijdsgewricht geweest. Dus het is logisch dat nu de vraag wordt gesteld: herdenken we op 4 mei ook de slachtoffers van de Nederlandse dekolonisatieoorlog?”

Van Raaijmakers’ hand verscheen vorige maand De stilte en de storm: 4 en 5 mei sinds 1945, de handelseditie van het proefschrift waarop ze in 2014 promoveerde. Ze beschrijft in het boek de bijzonder woelige geschiedenis van het herdenken van de doden en het vieren van het eind van de Tweede Wereldoorlog, ieder jaar op 4 en 5 mei. Haar belangrijkste conclusie: dé Dodenherdenking heeft nooit bestaan. Elk decennium kende zijn eigen brandpunten – en de discussies waren soms net zo fel als nu. „De ophef rondom het mogelijke lawaaiprotest deed me denken aan de Dodenherdenking van 1970. Toen kondigden actievoerders aan een krans op de Dam te willen leggen voor de homoseksuele slachtoffers van de nazi’s. Het organiserend comité zag dat niet zitten, maar de demonstranten stormden toch het podium op met hun krans. Ze werden toen verwijderd – en dat ging er niet zachtaardig aan toe.”

Zegt u daarmee dat zo’n lawaaiprotest – dat door de burgemeester verboden is – past binnen de Nederlandse herdenkingscultuur?

„Ik ben niet voor escalatie, maar de storm hoort echt bij de stilte. Mijn boek heeft niet voor niets die titel. Ik pleit er niet voor de twee minuten stilte te doorbreken, maar ik snap wel dat mensen actie willen voeren. Zij hebben ervoor gekozen dat op deze manier aan te kondigen. Bij lokale Dodenherdenkingen is in het verleden overigens al vaker de openbare orde verstoord.”

De roep om een bredere herdenking is opvallend, omdat de laatste jaren juist de klacht was dat de Dodenherdenking over te veel slachtoffers ging, en te weinig over de Tweede Wereldoorlog.

„Dat klopt. Uzelf heeft dat bijvoorbeeld geschreven in een opiniestuk in uw krant. Maar ook historici als Jolanda Withuis en David Barnouw pleitten voor een ‘zuivere’ herdenking van de Tweede Wereldoorlog. In mijn boek ga ik de discussie met hen aan, want zij willen terug naar een soort Dodenherdenking die eigenlijk nooit bestaan heeft.

„De Dodenherdenking is altijd aan verandering onderhevig geweest. Vlak na de oorlog ging het vooral om gestorven soldaten en verzetsstrijders, maar in de jaren zestig kwam daar de aandacht voor de slachtoffers van de Holocaust bij. In de jaren tachtig lag de nadruk op de verbinding die werd gemaakt met eigentijds racisme en het waarschuwen voor vreemdelingenhaat. Als je bijvoorbeeld leest wat premier Ruud Lubbers daar indertijd over zei, dan zou dat nu als zeer links worden bestempeld.”

Wat vindt u van de pogingen om Nederlanders met een migratieachtergrond te betrekken bij 4 en 5 mei?

„Dat is ook een fenomeen dat al decennia aan de gang is. In de jaren tachtig werden Turkse en Surinaamse bandjes het podium op getrokken bij Bevrijdingsfestivals. De laatste jaren wordt meer de nadruk gelegd op de oorlogservaringen zoals die in diverse herkomstlanden worden beleefd. Ik denk dat dat goed is, want kijk eens om je heen tijdens een bijeenkomst op 4 mei: dan zie je toch vooral witte, hoogopgeleide mensen.

Is dat erg?

„Ik denk het wel. De maatschappij heeft behoefte aan symbolische momenten die we samen beleven. Veel Nederlanders zitten opgesloten in hun eigen bubbel. Juist aan zo’n belangrijk moment als 4 mei moeten zo veel mogelijk mensen deelnemen.”

Ook mensen die vinden dat de slachtoffers van Nederlands geweld in Nederlands-Indië een plek verdienen tijdens de Dodenherdenking?

„Ja, dat vind ik wel. Nu de overheid zelf een groot wetenschappelijk onderzoek heeft gelast naar dat geweld, vind ik het goed en logisch dat we die discussie met elkaar in Nederland aangaan. Dat is een logische stap in de ontwikkeling van de Dodenherdenking.

Wat zegt het over het belang van 4 en 5 mei dat over die dagen nu al zeventig jaar wordt gediscussieerd?

„Het betekent dat de herdenking van de oorlog cruciaal is voor het beeld dat Nederlanders van onze nationale identiteit hebben. De oorlog is wat dat betreft van veel groter belang dan de Opstand in de zestiende eeuw of het ontstaan van het koninkrijk tweehonderd jaar geleden. Als daaraan aandacht wordt besteed, komt dat van bovenaf. Daarom leven die gebeurtenissen niet echt. Dodenherdenking, en in mindere mate Bevrijdingsdag, zijn altijd van onderaf vormgegeven, door de Nederlanders zelf. Ook als de laatste ooggetuige van de oorlog er niet meer is, zullen 4 en 5 mei daarom belangrijke data blijven.”

Ilse Raaijmakers: De stilte en de storm: 4 en 5 mei sinds 1945. Amsterdam University Press, 316 blz. € 19,99