Recensie

De bluf van een geestige stilist

H.L. Wesseling Naast tijdloze stukken over De Gaulle en de identiteit van Frankrijk biedt de nieuwe bundel van historicus Wesseling essays over wijn, kaas, Karel van het Reve, maar ook veel minder aangename feiten.

Foto Istock

‘Het gaat uitstekend met Frankrijk,’ zei de acteur Coluche eens; ‘het land staat er veel beter voor dan volgend jaar.’ Of de Fransen daar zelf om kunnen lachen is de vraag. In zijn bundeling van grotendeels in het Hollands Maandblad verschenen essays beschrijft H.L. Wesseling (1937) hun ‘déclinisme’, het lamlendig pessimisme dat de Fransen koesteren na de dertig ‘glorieuze jaren’ van na de oorlog.

Nu president Macron het tegen de vakbonden opneemt en we beslissende maanden tegemoet gaan, is commentaar van een kenner van de Franse politiek als Wesseling welkom. De Leidse historicus heeft zijn hoop op Macron gevestigd, al relativeert hij dat met een anekdote uit de tijd van Mao over de Chinese premier Zhou Enlai. Toen die gevraagd werd wat hij van de Franse Revolutie vond, antwoordde hij na enig gepeins: ‘Het is te vroeg om daar een oordeel over te geven.’ Als deze leider het na tweehonderd jaar nog te vroeg vond om te oordelen, aldus Wesseling, is enige terughoudendheid over Macron geboden.

Daverende dingen dezer dagen ontleent zijn titel aan een gelijknamige vooroorlogse strip uit de Haagse Post. Ik houd van maffe titels maar de suggestie dat deze essays over het heden gaan slaat nergens op. Want behalve die paar bladzijden over Macron hadden de meeste stukken ook twintig jaar geleden kunnen verschijnen. Zo komt Wesseling terug op de Historikerstreit uit de jaren tachtig over de vergelijking van de misdaden van nazi-Duitsland met die van Stalin en op Daniel Goldhagens boek Hitlers gewillige beulen (1996). Daar is niks op tegen zolang je er zelf iets aan toe weet te voegen, alleen heb ik daar vergeefs naar gezocht. Wesseling bespreekt verder een boek uit 1961 van twee Britse historici en noemt het ‘een zelfportret’, waarmee hij bedoelt dat het boek destijds een voorbeeld voor hem was en dat wij er best een portret van hem in mogen lezen.

‘Cultuur en beschaving’

Naast tijdloze stukken over De Gaulle en over de identiteit van Frankrijk schrijft hij over ‘cultuur en beschaving’. ‘Hedendaagse volkscultuur’ bestaat uit ‘Boem!-Boem!-Boem!-muziek, reality-tv-programma’s als Big Brother, danceparty’s en voetbalvandalisme’. Wesseling beseft het gevaar van oudemannen-gemopper, mooi samengevat in Simon Carmiggelts woorden: ‘Vroeger kon je lachen.’ Tegelijk sluit hij te vaak zijn ogen voor de daverende debatten van nu. Het is goed dat hij op het te positieve zelfbeeld wijst van een vermeende Nederlandse tolerantie, maar om dan aan alle hedendaagse discussies over identiteit en witte onschuld voorbij te gaan heeft iets wereldvreemds.

Wel is hij geestig. In zijn stuk over de Franse identiteit bespreekt hij de ‘lieux de mémoire’ van de Franse historicus Pierre Nora, een begrip dat dicht bij ons woord erfgoed komt. Bij de Fransen is dat in de eerste plaats ‘wijn’, die in Nederland vooral door hoger opgeleiden gedronken wordt. Wesseling voelt zich hier niet aangesproken, want overeenkomstig de nieuwe nationale leuze ‘Minder! Minder! Minder!’ is hij juist minder gaan drinken.

Heb je het over wijn, dan is kaas niet ver weg: er zijn honderden soorten in Frankrijk. Ook Nederland heeft veel kaas, schrijft hij, alleen heeft het ‘een beperkt repertoire.’ Volgens hem schenken de Fransen meestal maar één wijn bij het eten, ze doen niet aan ‘de Britse flauwekul van witte wijn bij de vis.’ Daar kun je over twisten, maar juist de bluf waarmee je discutabele zaken als feit presenteert kenmerkt de goede stilist. Precies deze cocktail van stelligheid en ironie kenmerkte een generatie essayisten waartoe Maarten ’t Hart en Rudy Kousbroek behoren en die Karel van het Reve als geestelijk vader heeft.

Het is daarom geen toeval dat Wesseling een stuk aan Van het Reve wijdt dat weliswaar kritisch is, maar ermee eindigt hem boven beroemdheden te plaatsen als Isaiah Berlin en George Steiner. Hier valt van zijn scepsis over het beperkte repertoire van Nederlandse producten plotseling niet veel meer te bespeuren.

Wesseling confronteert de lezer graag met onaangename feiten, al zijn die niet allemaal even nieuw. De geallieerde terreurbombardementen op Hamburg en Dresden kenden 55.000 respectievelijk 25.000 slachtoffers; Karl Marx juichte de kolonisatie van India en Algerije toe; in Frankrijk werd in 1977 nog iemand met de guillotine terechtgesteld en in Engeland met de strop in 1964; Adriaan Roland Holst was een antisemiet en in 1953 tekende 35 procent van de leerlingen van de eliteschool École Normale Supérieure het condoleanceregister bij de dood van Stalin.

In de laatste stukken treedt veel herhaling op. De schrijver waarschuwt al voor die ‘duplicatie’ in zijn inleiding, maar dat maakt zijn gemakzucht er alleen maar erger op. We mogen nooit verslappen. Ook H.L. Wesseling niet.

    • Maarten Doorman